Ze wacht

Ze wacht.
Ze zwijgt op een Nieuwe Diepte,
verzandt, klinkt in,
kraakt vertraagd, behoedzaam,
scheurt waar niemand het hoort.
Haar scheepshuid bladdert,
terwijl de rust roestig entert.

Stille wateren hebben Haakse gronden.
De Helsdeur geopend onder het oppervlak.
‘Kom maar’, zong het. ‘Zet koers. Vaar wel.’
Nacht en ontij maakten af,
wat al op voorhand lag beklonken.
Verzonken
in een laatste land om te bezeilen.

Een zandloper vult zich, loopt leeg,
ontdekt wat bedekt lag
en laat rondhout herrijzen als palmbomen in de woestijn.
Bedelft opnieuw, schuurt, zout op,
verweert, breekt af, keert weer,
tot een man zich achterover laat vallen
en afdaalt.

Ze had op hem gewacht,
haar geheimen bewaard in de krochten
van haar buik. Had geduld gehad,
was vervuld geraakt
van nieuwe bewoners, sedimenten,
de elementen hadden haar geruwd,
haar naam volledig weggevaagd.
Maar hij vond haar,
hij vond haar de mooiste die hij ooit had gezien.
Aan hem gaf ze prijs,
hoe de tijd haar was vergaan.

In juli 2021 startte Het Reddingmuseum haar nieuwe expositie ‘Gezonken Reddingen’. Deze expo gaat over het verraderlijke gebied De Haaksgronden en de vele honderden schepen die er zijn vergaan. ‘Gezonken Reddingen’ vertelt de boven- en onderwaterverhalen van zeven bijzondere wrakken. Ik opende de expositie met ‘Ze wacht’. 

Sporen

We hadden week na week
een zalig zinloos lopen struinen,
de straten afgeschuimd,
op zoek naar alles. Naar niks in het bijzonder.
Koopavonduren.
We streken neer (met een diepe zucht),
de slenter in de spillebenen, plastic tasjes
en de stad aan onze voeten. Rond ons de reuring,
dronken we chocomel met uitzicht,
vooruitzicht
op wat er nog mocht komen. Alles kon.
In ons liet een paddenstoel de sporen na,
waarop we zouden groeien.

In juni 2021 ging het beeldbepalende gebouw ‘De Paddenstoel’ tegen de vlakte om plaats te maken voor nieuwbouw. De Paddenstoel was jarenlang in gebruik geweest als het restaurant van V&D. Woningstichting/Helder Vastgoed vroeg me om afscheid te nemen en vooruit te blikken.

Song of a sea city siren

So, I’m half mermaid.
From my mother’s side – my dad was a sailor –
and only from the waist up.
Nobody can see.
I inherited my father’s legs.
Lucky me.
And the only tail I have,
is the one to tell.

Now, blood is thicker than water.
as they say.
But try pumping the latter
through your veins.
The ocean runs inside me.

I have a salt encrusted heart,
cured
to never go bad, to never get hurt.
Not even the pirate
who tried to steal it,
tide after tide after tide,
waving at me from his galleon
as I stand ashore,
my dress drip drip drip dripping,
drops being absorbed into the sand,
was ever man enough spoil it.

And as I stand before you,
again: lucky me, for having legs and a voice –
not all mermaids have the privilege,
nor the honour -,
I want to ask you, ‘Ocean Leaders’
take good care of her.
I know you will, I know you want to,
my blood is your blood,
we share the same salty veins and
ever windy hair.
But she has given so overflowingly,
that it’s easily forgotten,
she is not ours to take.

My ocean view,
my outlook on everything blue,
is a simple one.
Half mermaid, half sailor,
I’ll sing you a song, yoho.

Please, think of her first,
before anything other.
She is your own blood,
she is our own mother.
May we treat her as such,
and she will always provide,
curing our hearts
tide after tide.

In mei 2021 vond in Den Helder EMD plaats, the European Maritime Days. Een internationaal congres over blauwe economie. ‘Song of a sea city siren’ kwam voort uit het verzoek de Ocean Leaders toe te spreken met een gedicht.

Jongerenadvies

Heel eerlijk?
Ik dacht dat ik alles wist.
Me nooit had vergist
en de wijsheid in pacht.
De zittende macht,
ik doorzag haar.
“Wacht maar, gezag maar.”
Ik liet me niks vertellen.

Dus misschien moet ik
niet veronderstellen
dat ik jou iets mee moet geven.
Leid, lijd, spijt, verblijd je leven,
je komt vanzelf terecht.
Ik hoop oprecht
dat je af en toe onderuit,
op je snufferd,
achteruit
of op een muur zal stuiten,
zoals ik.

Maar mag ik je dan
tenminste vragen,
altijd alles uit te dragen
wat je op je hart en in je hoofd,
waarvoor je staat en in gelooft,
niet achter, in of op te houden,
maar te delen?
Niet te vrezen voor het oordeel,
de twijfel is je voordeel,
je hoeft nog niet te weten.

Verwonder en verbaas je,
leg niet zomaar naast je neer,
want jouw ogen zien iets anders
dan de mijne.
Wees onwetend, vraag je af,
spreek net te vroeg, vergis je.
Je hebt de wijsheid niet in pacht,
veel beter nog, die mis je.

‘Jongerenadvies is een gedicht aan de in 2021 geïstalleerde Jongeren Adviesraad en werd geschreven in opdracht van de gemeente Den Helder.

Stem recht

Pardon,
mag ik eventjes iets zeggen.
Ik spaar mijn stem, zie je,
tot ik mij bij uitzondering
in een hokje laat duwen
en hem pas daar weer zal verheffen,
dus ik houd het kort.
Wie het straks ook wordt,
weet dat ik kies voor jou.
(Óp een vrouw,
dat wel,
maar niet alleen voor mij.)
Omdat ik geloof dat jij
het harder nodig hebt dan ik.
Iemand die voor je zetelt.

Het gemiddelde bemiddeld,
mijn belangen ondervangen.
Ik spaar mijn stem dus
en luister.

Ik negeer de roeptoeters en oproerkraaiers,
ophefmakers en opiniepeilers,
die in shows aan het einde van de dag
komen zeggen
dat je ook níks meer mag,
tegenwoordig.
Vertegenwoordigd door mannen
in ‘de menselijke maat’-pakken,
die de meeste van ons nooit zullen passen.
Niet wit genoeg, niet man genoeg,
geaard, gezond of rijk genoeg,
nog niet volwassen
of stemgerechtigd.

Stem recht wat krom is,
stem weg wat de norm is
en kleur De Kamer
tot die op ons lijkt.
Want de maatschappij, dat was jij toch?

Dus als ik straks, al onderweg,
het paspoort opgesnord
en de kiespas in mijn hand,
als de toekomst van dit land,
over de stoep naar een buurthuis zweef,
om nog op de drempel van het stemlokaal,
(Oh, en stem lokaal als het even kan.)
te beslissen,
op wélke vrouw,
weet dan, dat ik kies voor jou.

Radioprogramma Hilversum Uit, zond het weekend vóór de Tweede Kamerrverkiezingen van 2021 uit vanuit Den Helder. Ze vroegen mij een gedicht te schrijven over stemmen.

De kunst is zien

Warenhuis was,
staan nu nog slechts de wanden
te wachten
tot de mensen weer
komen, weerklinken
in de ruimte tussen hen in.
Ze waren een inhoudsmaat geworden.
De kubieke Dreesmann
waar ooit huisraden
en speelgoed,
step-ins en torselets,
maar op een dag
geen agenda’s meer
voor het jaar erop.

En toen niks.

Een doos die plek inneemt
maar slechts lucht bewaart.

Leegte vraagt gevuld te worden,
vervuld te raken
van iets nieuws.
De wanden kleur en aandacht,
een bord op de gevel
en iets om te behelzen.
Waren, het schone,
het geluid van bezoek.
Vensters wellicht, alsnog,
nieuw perspectief in olieverf op doek.
Niks
is weerloos en van waarde.
De kunst is zien wat het kan zijn.

‘De kunst is zien’ is een stadsdicht in opdracht van De Kunsthal en De Kunstuitleen. Zij voegden zich samen in het voormalig V&D gebouw.

You can be anything

Ze sprong niet en had niet de val gekozen.
Ze liet zich, uit het raam, als van de rand van het zwembad,
behoedzaam in de diepte zakken.
Eerst een teen, toen een been, een echt scharnierend kniegewricht,
terwijl een rilling steeds één centimeter vóór op de kou,
optrok richting haar hart.
Alsof een langzaam gewennen het sterven zou verlichten.

Het speet mij.
Dat ik haar wilde. Dat ik aan Sinterklaas én aan God gevraagd had
of ik haar mocht, terwijl ik heus wel wist dat God voor noodgevallen was.
Dat mijn zusje en ik samen moesten doen,
aan haar trokken tot zij het hoofd en ik het lijf en uiteindelijk niemand
haar helemaal kreeg. Dat we haar haar,
ruw met lange roze tanden hadden ontklit, geknipt,
haar benen uiteen hadden gedraaid om haar op een paard te duwen,
of op Ken. Haar plastic tegen het zijne drukten
en haar ontkleed en half onder het bed achterlieten, omdat we moesten eten.
Een frisgetrokken glimlach tot wij de kamer hadden verlaten.

Daarna het raam.

Het spijt mij
dat een behoedzaam zakken niks verlicht had,
dat Barbies niet breken, maar buigen
en slechts gehavend terugveren in selfiestand.
Dat God niet bestaat, ook niet voor noodgevallen
(juist niet voor noodgevallen).
Het spijt me
van het slijk. Van het sleuren,
het smalend toetsenborden
tot je steeds verder onder het bed geraakt.
En dat we alles mogen vinden,
terwijl niemand je nog zoekt.

In april en mei 2021 mocht ik deelnemen aan een poëziewerkplaats onder leiding van Ester Naomi Perquin. Voor de opdracht ‘publiek figuur’ koos als onderwerp Samantha de Jong, betere bekend als Barbie.

Stroper

De Asterias Rubens (ook wel de gewone zeester genoemd,
maar waarom zou je?) regenereert bij verlies of diefstal
van een ledemaat.
Daar dacht ik aan, toen je sliep.
Ik benijdde je, gespreide armen, de beddensprei
afgeworpen en je benen bloot alsof je daadwerkelijk op een strand lag
te lezen. Wit nog, je dijen deeg. Maar je las niet. Je sliep
en ik vroeg me af of het de wetenschap was
dat alles vanzelf weer aan zou groeien
of dat je simpelweg geen idee had dat iemand je op een dag op zou rapen
om een stukje van je af te nemen.

De Priodontes Maximus daarentegen (of armadil, het grote gordeldier, ik)
weet wat er wacht. Wat komen zal zodra we zijn ontdekt.
De stroper loert al, de smokkelaar prepareert koffers
om mij te verdelen onder de hoogste bieders.
We zijn er niet.
De benen ingetrokken, het hoofd gebogen en de buik bijeen
gerimpeld, wachten we tot de slaap ons vat,
in de hoop dat alles aan ons voorbij zal gaan.
Je lachte erom. Diertje, zei je.
Ik was nu toch wel oud genoeg om te weten.
En toegegeven, ik was ook liever de Asterias
Rubens naakt in losgewoelde lakens.
Maar mijn handen zijn inmiddels onuitstrekbaar.
en mijn huidschilden verbeend.

In april en mei van 2021 mocht ik deelnemen aan een poëziewerkplaats onder leiding van Ester Naomi Perquin. ‘Stroper’ was de tweede opdracht.

Veraste

Voor niets komt de zon op. Dat zei ze.
En ik vroeg me af waarom ze de dag
zo zinloos achtte
dat ze mij
– grote vakantie, fantoomsandalen drukten na wat was beleefd –
moest vertellen dat
zons- en onze ondergang dezelfde waren.
Ik proefde het voor niets
en overwoog haar van alles te vertellen,
maar elk vers woord verkruimelde
tot het grijze grit dat zij in een vaas op de kast bewaarde.
Ik slikte happen stof en heus waar
dingen die vlak vóór mijn lippen nog een zekere zin leken,
maar ter plekke hun dichtheid verloren.
Ik kuchte er een paar op het Perzisch, dat de salontafel
behoedde voor kringen en wreef ze diep in het pool
voordat mijn oma ze zou zien.
Er moest iets zijn waarvoor de zon,
maar het waren niet de mensen wist ik
en de liefde vond ik toen al
kinderachtig klinken.
Heel misschien was het omdat ze…
maar mijn adem klapte om tot as en
oma snurkte al
zachtjes voor zich uit.

In april en mei van 2021 mocht ik deelnemen aan een poëziewerkplaats onder leiding van Ester Naomi Perquin. ‘Veraste’ was de eerste opdracht.

Weder op

Het komt wel goed, stad.
Adem door,
zucht je wind maar door de straten,
lucht je hart.
In de luwte ben je nergens.

Geluk schuilt in een stormhoek,
Houd die Kop hoog
en zet je schrap.
Je bent een stad om op te bouwen,
weder op te bouwen,
zoals je altijd hebt gedaan.

Winkelcomplex, appartementencomplex.
Minderwaardigheidscomplex gesloopt.
Afgebroken, afgevoerd,
ketsen de echo’s van oude laster
tegen nieuwe gevels af.
Laat maar waaien.

En ik weet het, lieve stad.
Het valt je zwaar nu.
Het beukte net wat harder dan gewoon.
Stormschade en -schande wijs,
ben je bestand.

Jutter, raap je moed bijeen.
Zoek het strand af, schop het schuim weg
en knarsetand het zand.
Windkracht is wrakhout slepen
tot je terugvindt wie je was.

‘Weder op’ is het eerste gedicht dat ik schreef als stadsdichter van Den Helder