Betaalde liefde in een Amber licht

Amber van Esphen is high-class escort bij één van de hoogst aangeschreven escortbureaus van Nederland. De afgelopen zeven jaar – en inmiddels richting acht – schreef ze columns voor LINDA. over het leven van een duurbetaald meisje van plezier. 95 van die columns, waaronder enkele nog niet eerder gepubliceerde, zijn nu gebundeld en liggen vanaf 16 juni in de winkel.

Amber is niet haar echte naam. Het is de naam waaronder ze werkt en schrijft. Een pseudoniem en een rol. “Amber is in principe elke vrouw die klanten willen dat ik ben. Wil je me als een meisje? Doen we dat. Ben ik een dame met een parelsnoer? U vraagt wij draaien. En als jij dat toevallig leuk vindt, draag ik blauwe nagellak met een omgekeerd baseballpetje. De klanten waar ik mee te maken heb, zijn mannen met geld. Oud geld, nieuw geld, heel snel rijk geworden of hard gewerkt. Daar zit verschil in. Maar die mannen hebben hoe dan ook wensen en ze zijn bereid 300 euro per uur neer te leggen voor je hele ziel en zaligheid.”

Kassa

En dus geeft Amber ze het uur, de avond of zelfs de weken van hun leven. Want als high class escort ben je er niet alleen voor een avondje wellust. Soms ben je de welingelichte tafeldame voor een zakendiner in Bangkok, soms mag je mee winkelen in New York en soms wordt je ingevlogen om een vaste klant te vergezellen op een reis naar Bali. “Ik ben altijd wat voorzichtig om me hierover uit te spreken, maar om high class escort te kunnen zijn, moet je meer kunnen dan mensen soms denken. Ik spreek mijn talen, volg het nieuws en heb een brede algemene kennis. Je moet een gesprek kunnen voeren en meegaand kunnen zijn, maar ook assertief als mannen te veel van je willen.”

Meegaand betekent dat je er in principe bent voor de wensen van die klant. Of je die nou wel of niet aantrekkelijk vindt, wel of niet aardig en of hij nou eerst uren wil praten of gelijk een speeltje in zijn bips. “Als je vanmiddag boodschappen gaat doen, kijk dan even naar de rij en stel je voor dat zo direct naar bed moet met de voorste man. Zo is het een beetje. Je krijgt een korte beschrijving van je bureau, bij vaste klanten is er wat meer informatie, en dan ga je erheen. Wat er achter de deur staat, daar moet je het mee doen.”

Schrijven

Amber begon 16 jaar geleden met dinnerdaten om haar studie te bekostigen. Ze was gezelschapsdame voor zowel mannen als vrouwen. Toen een klant haar vroeg of ze ook met hem naar bed wilde, zwichtte ze voor het geld. Zonder enige spijt achteraf, wist ze dat ze dat vaker zou kunnen, maar dan goed. Ze meldde zich aan bij twee chique bureaus en kwam uiteindelijk in de positie dat ze kon kiezen voor de beste. “Werken is vrijheid. Geld biedt ruimte om dingen te doen. Mogelijkheden. En natuurlijk, een keer een designertas kopen is heel leuk, maar als je er acht hebt gaat de charme er wel af. Ik kan de wereld zien en op mijn 50e stoppen met werken om lekker te gaan schrijven. En zonder dat geld had ik waarschijnlijk ook nooit voor LINDA. kunnen schrijven.”

Amber begon met haar columns onder begeleiding van een bekende Nederlandse auteur. “Ik had een klant die me regelmatig voor langere tijd boekte en daarvoor moest ik heel veel reizen. Ik zat urenlang op vliegvelden te wachten op vertraagde vluchten en tranfers. Als ik dan bij hem was, moest hij ook nog heel vaak werken. Ik verveelde me. ‘Nou, dit is dus mijn leven’, dacht ik. Dan kun je heel lang klagen dat je geen kansen in je leven hebt gehad of niet de opleiding hebt gedaan die je graag gewild had, maar je kunt er ook wat aan doen. Bovendien wist ik dat ik niet tot mijn 65e als escort kon blijven werken. Ik besloot dat ik weer een opleiding wilde gaan doen. Iets met schrijven, want dat had ik altijd leuk gevonden. Maar ja, elke week in een klasje verschijnen was natuurlijk niet te combineren met een leven waarin je rond de wereld vliegt. Ik benaderde daarom een bekende schrijver met de vraag om privéles. Hij liet me weten alleen getalenteerde mensen te begeleiden en vroeg me wat op te sturen. Een paar columns over dagelijkse dingen. Later aan de koffie zei hij ‘Je columns zijn flut, maar ik zie wel dat je talent hebt’. Toen zijn we aan de gang gegaan.”

Goud

Het leidde tot stukken die onder zijn begeleiding steeds beter werden. “Maar ik schreef over je schenen stoten tegen een rollator in de supermarkt en over mijn dode cavia. Mijn coach vroeg me eens over iets anders te schrijven. Iets dat me echt aan het hart ging. Daarop besloot ik hem in vertrouwen te nemen over mijn werk.” Amber lacht. “Zijn mond viel open van verbazing. ‘Je zit op een pot met goud!’ zei hij. Onder zijn toezicht heb ik toen vijf columns geschreven en opgestuurd naar drie bladen in de hoop dat er één was die er wat in zag.” Opnieuw kon Amber kiezen.

Dubbelleven

Elke maand lezen LINDA.lezeressen (en vast een hele hoop mannelijke lezers) met Amber mee over zakenmannen met halfzachte piemels, oesters eten in Hong Kong, overspelige BN-ers en onverwacht lieve of heel aantrekkelijke klanten. En daarmee over de vrijheid die Amber voor zichzelf kan kopen. De columns zijn licht geschreven, vaak met een knipoog en Amber maakt dankbaar gebruik van de bijzondere (en soms bijzonder onaangename) karakters die haar revue passeren. Maar soms tikt ze even de zelfkant aan. Amber leidt een dubbelleven. De meeste mensen in haar privé-omgeving weten niet dat zij escort-dame is én de schrijver van die veelbesproken column in LINDA. “Ik werk hard en betaal belasting, ik ben vriendelijk voor andere mensen, netjes ook en als ik klaar ben met werken is iedereen blij. Ik denk dat ik een goed mens ben. Maar ik ben goede vriendinnen kwijt geraakt door te vertellen wat ik doe. Eén gooide mijn verhaal zelfs op straat. Ik ontmoet wel eens leuke vrouwen, maar als het lijkt te klikken vraag ik me altijd af hoe het verder moet. Wie denkt ze dat ik ben? Wie mag ik zijn? Kan ik vertellen wat ik doe? Bij dates doe ik dat vrij snel, want je kunt niet na een half jaar nog tegen een man zeggen dat je eigenlijk ook seks hebt met anderen. De meeste mannen kunnen daar niet tegen. Het schaadt hun ego. Zelfs klanten zeggen het wel eens. Ze vinden het ontzettend geil, een hoer in een kanten setje, maar hun eigen vrouw zouden ze zo niet willen zien. Eén nieuwe liefde liet me weten dat hij nog liever had dat ik wapens smokkelde of drugs verkocht aan kinderen dan dit.”

Dankbaar

Amber houdt haar leven als Amber zo veel mogelijk geheim. Die prijs betaalt ze om uiteindelijk precies te doen wat ze zelf wil. Maar het risico op ontmaskering ligt altijd op de loer. Mijn ouders wonen in een klein dorpje, een andere generatie… Ze zouden het niet begrijpen. Het verdriet dat hun dochter dit werk doet en de roddels in het dorp wil ik ze echt besparen. Als je me graag wil ontmaskeren, als je daar echt heel blij van wordt, ga je gang. Maar kom je aan mijn ouders, dan maak je me boos.”

Nog een paar jaar. Een paar jaar dure hotels en gekke toeristen. Een paar jaar dankbare oudere heren en arrogante ballen met sigaren. Een paar jaar spanning en avontuur. Dan houdt de vrouw achter Amber het voor gezien. Met meer levenservaring dan twintig van haar klanten bij elkaar, een bankrekening die daar eer aan doet en de wereld aan haar voeten. “Ik ben Amber heel dankbaar voor wat ze me heeft gebracht.”

Amber. Belevenissen van een high-class escortdame wordt uitgegeven door Uitgeverij Kosmos en is verkrijgbaar vanaf 16 juni.

Dit artikel verscheen eerder in Vrij, zaterdagbijlage van het Noordhollands Dagblad.

Anderhalve meter sessies

Het zingt in mij,
iedere dag
een wijsje in mijn hoofd
door het meisje in mijn hoofd
dat bij alles een liedje weet,
de wereld om zich heen vergeet,
maar nooit hoe Elvis Costello
schouders bezong
en hoe zijn hart erop brak.
Ik wil je.

Het klinkt in mij.
Vinylzucht.
De platen van mijn vader,
De Koningin van de Nacht,
dwars door plastic concertglazen
– troost, jongens –
wij waren erbij,
op een dinsdagavond
in de kleine zaal van Paradiso.
Koninginnen van de Steentijd.

Het dicht in mij.
Gesloten zalen,
gestolen shows
tussen muziek en zeer.
Er hangen violen aan de wilgen
en trompettisten op de bank
te wachten tot ze mogen.
En in hen zucht het
dat het kraakt.
Steun je vocalen,
je instrumentale
ondernemers,
de mannen (m/v)
van het geluid en het licht
verontruste meisje van de garderobe.

Het treurt in mij
om snaren die niet geraakt worden
en haardkoortjes niet gezongen.
Ongehoord de beste solo’s,
cello’s, yolo’s
en die ene vrouw die bij elk concert
met gesloten ogen
steevast tegen de maat in danst.
Ik mis haar.
De muziek is in nood.
In grote nood.
In die veel te hoge, niet te zingen noot.
Bied haar je oor
en je schouder
als je hart erop breekt.

Wilde nacht

Ik wilde avonden
lang dansen
tot de morgenstond,
en mijn groene glitterkont
tegen kribben gooien.
Ik wilde haren
mooier
en mijn lippen rooier
dan daglicht kan verduren.
Ik wilde avonturen-
lang
ongehoord
jouw woord,
dicht tegen het mijne,
in je volzinnen verdwijnen
tot je alleen nog glitters vindt.
Ik wilde wervelwind
om de feiten te weerleggen,
me pas bij je neer te leggen
als je daarom morgenvroeg.
Ik wilde feesten,
wilde beesten
laat je ongetemd.
Ik wilde ongeremd,
mijn hart weer zacht.
Ik wilde nacht.

Wilde nacht werd geschreven naar aanleiding van ‘Het nieuwe normaal’ als aanduiding voor de periode na de Coronacrisis.

Kluwen

Het hart vol,
de mond over,
loop ik samen met omstandigheden,
gesloten.
Twaalf gedachten, drie gedichten,
onafgemaakt,
en een liedje in mijn hoofd.

Het verschil tussen gelul
en geluk zit in een heel klein <
(hoekje, ja.)
Zebra’s zijn paarden in een kekke jas.

Op plekken tegelijk
en toch te aanwezig,
lach ik om mijn eigen grappen
tot ik omval.
Keihard omval.
Aandacht trekken noem je dat,
maar dat zou jij ook doen
als het jouwe constant zoek was.

Niet vergeten sla te halen.
Het is nu half 3.
Ik verlies je.
Als je glas altijd halfvol is,
zit de rest waarschijnlijk in je bloed.
Maar waar was ik?

Het hart vol,
de mond over.
Een hoofd met 100 lijnen
die nog niemand had gezien.
Ik beloof je,
mijn omwegen
zijn altijd beter dan het doel,
zolang ik de kluwen kan ontwarren.
Met een beetje geluk,
verdwalen we slechts
(in een heel klein hoekje).

1999

“Gecondoleerd, Yanaik!” Iemand schreeuwde in mijn oor. “En een gelukkig nieuwjaar!” Hij trok me in een knuffel, terwijl ik probeerde een antwoord te vormen dat recht deed aan de situatie.

“Kutzooi is het!”

“Wat?!”

Hij liet me los om me aan te kunnen kijken. Ik glimlachte en articuleerde beter: “Jij ook de beste wensen.” Uit de boxen schalde Prince.

Ik was die avond de stad ingegaan omdat het jaar 2000 was begonnen. Het jaar waar in de jaren ’80 al wasmachines en handmixers naar waren vernoemd. Niets zei higher tech dan de toevoeging van het getal 2000. Het jaar waarin we minimaal vliegende auto’s hadden verwacht en de mogelijkheid elkaar te videobellen. Het jaar dat vooruitgang beloofde en nieuwe kansen, mits onze computers het niet zouden begeven door een beestje dat nooit geleerd had wat er na ’99 zou zijn. Ik had mijn hele leven een voorstelling gemaakt van een feestende menigte en wildvreemden die elkaar omhelsden op straat omdat er een nieuw jaar, nee nieuw millennium was begonnen en wij de gelukkigen waren die erbij mochten zijn.

Er wás een menigte en mensen kusten elkaar. Ze dansten in dronkenmansliefde en wie vóór zonsopgang zijn bed opzocht was een ouwe lul. Een meisje met een glitterdiadeem 2000, kotste in een boog haar champagne uit en het leek op een confettikanon. “Gecondoleerd, Yanaik!”

Ik was 20 en had net mijn ouderlijk huis verlaten om te gaan studeren in een grote stad. Het idee was dat ze mij langzaam los zouden laten, veel langzamer dan ik hen en dat ik mezelf dan volwassen zou achten, maar stiekem nog enorm op ze zou leunen. Want zo gaat dat. Ik zou thuiskomen in de weekenden, met wasgoed en verhalen en ’s avonds op de bank tegen mijn vader aan kruipen. “Even naar voren, floeperd”, zou hij zeggen, om zijn trui omhoog te doen en zijn Parkerpen uit het borstzakje van zijn overhemd te halen. Zo vielen er geen gewonden.

In werkelijkheid had ik een week eerder voor het laatst tegen hem aan gelegen. Op een bed in de huiskamer, mijn oor tegen zijn borst. Geen Parkerpen, tricot pyjama’s hebben geen zakken. Onder zijn ribben kraakten zijn longen en het geluid nestelde zich voorgoed in mijn brein. Net als zijn ziekgeur en zijn vermagerde lijf. Knieën breder dan bovenbenen. Zijn wangen en ogen in negatief op zijn gezicht en z’n tanden te groot voor een mond die niet meer lachen kon. Bij de laatste keer op de weegschaal was mijn vader 45 kilo, twee kilo zwaarder dan de keer daarvoor. Het was zijn tumor die inmiddels harder groeide dan het vet verdween. Het was kerst 1999 en ik zong liedjes voor mijn vader die een pijnlijke dood stierf in de aanwezigheid van zijn vrouw en kinderen. Doodsangst. Mijn vader zag dingen, door de morfine of door het einde zelf, die hem bang maakten. Maar toen hij “halen” zei, wist ik dat hij er klaar voor was. “Wil je dat ze je halen?” vroeg ik. Hij knikte. “Ik hou van je, papa.” Mijn vader gebaarde met zijn hand wat hij niet kon zeggen en nam met één traan afscheid van ons. Ik zou voorgoed de winnaar zijn in de jaarlijkse kersthekelcompetitie. Dat dan weer wel.

Ik had de daaropvolgende oudejaarsdag gesproken op zijn uitvaart in een overvolle kerk. Over een lieveheerbeest, dat ik op de dag van zijn dood in de gang gevonden had. Mijn eigen millenniumbug, besefte ik later. De wereld ging door, terwijl ik krakend vastliep. In één klap volwassen en eeuwig een meisje zonder vader.

“Gecondoleerd, Yanaik!”

Misschien krijg ik spijt als ik niet de stad inga, dacht ik. Misschien kan een goed feest een nieuw begin markeren. Misschien kan ik het van me afschudden. Zijn zieke lichaam. De scheur in mijn binnenste. Dat ik nooit meer floeperd heet.

“Jij ook de beste wensen.” Uit de boxen schalde Prince en hij riep ons op om te feesten, om te dansen alsof het elk moment afgelopen kon zijn. Boy, was he right. Ik maakte me los uit de omhelzing en baande me een weg door de menigte. Iemand pakte mijn arm en gilde: “Gelukkig nieuwjaar!” Anderen staakten het feestgedruis om hun onvermogen te verbergen met meelevende blikken. Ik voelde ze branden in mijn rug en sloot mijn ogen. “Two thousand zero zero”, zong de prins. Ik wilde zweten. Ik wilde vergeten met mijn armen in de lucht. Eén liedje maar.

Mijn vader is nu twintig jaar dood. De helft van mijn leven. Ik voltooide mijn studie, kreeg kinderen, kocht huizen, kan leven van zijn taalgevoel en trouwde met de man die toen al mijn vriendje was. Ik werd weer gelukkig en hij zou trots op me zijn. Alleen december is lastig en met oud en nieuw moet ik dansen. Afschudden. Elk jaar een beetje minder rouw, maar nog altijd met mijn armen in de lucht. Zweten en vergeten. Eén liedje maar. Like it’s 1999.