Maat 38. En een half

Een meisje wankelwiegt haar heupen
op haar nieuwe hoge hakken.
De ongemakken
op de aankoop toe,
want voor hetzelfde geld
– 40 euro bij van Haren –
liep ze nu op hagelwitte gympen,
zonder blaren,
langs een overvol terras.
Maar dan zou niemand zien
dat ze al best volwassen
voor haar leeftijd was.
Stomme Adidas.
Ze moet gewoon heel voorzichtig
evenwichtig,
hielen lichten
en elke stap
op de klikklak richten.
Spijt doet meer pijn,
als je eraan toegeeft.
Bijna thuis.

Plan

Ik had het bed opgemaakt
en mijzelf zo mooi als ik kon,
voor het geval dat je zou blijven.
Ik had me levende lijven
voorgesteld en jou op een zeker moment
aan mijn ouders.
Want zo moest het gaan.
Ik zou voor je staan
met de bravoure
van zeven lustiglieve hoeren
en jij zou onder mijn indruk zijn.
Ik onder jouw huid.
Maar ik struikelde
over woorden en
de zin
verging mij toen mijn lip
een sterk stalig bloeden zou.
Je trok je hand terug
in je mouw
en depte zachte vlekken
in je kobaltblauwe overjas
tot het over was
en er niks meer van mijn plan.

Hiernanogmaals

Als de nachten vallen
er steevast doden
lastig in mijn slaap.
Denk ik.
Maar liever geloof ik
dat de man aan mijn voeteneind
mijn eigen geest is
(die op hol slaat
als de dagen me uit,
de uren me over)
en niet één die mijn nachtlamp
aanziet voor het licht.
Tunnelvisie.
Waanzin stelt gerust
als je bang bent
dat er hiernanogmaals iets is,
terwijl je in hemelsnaam
alleen maar een beetje
vredig in wil slapen.

Kansberekening

Waar wacht je op?
Op toestemming?
Op goedkeuring?
Op de toekomst. Proost.
Je bungelbeent op een muurtje,
met een pleister op je knie
(van de laatste keer)
en met gympen aan je voeten.
Dromen najagen
vraagt om goede schoenen
en een plan.
En dus wacht je.
Op je beurt.
Op je moment.
Op je muurtje
tot er deuren opengaan.
Of een raam misschien.
Je bent niet groot,
een kiertje is genoeg
en je zal het heus weer dichtdoen
als je klaar bent.
En ondertussen glimlach je
naar anderen voor diezelfde deur
en bijt je groene zuurtjes weg
tussen je knarsetanden,
als iemand ze zomaar binnenlaat.
Je troost je
met de gedachte dat je jong,
niet zo jong meer,
oud
maar veelbelovend bent.
Je moet gewoon geduld hebben.
En geluk.
Want als je nu opstaat
om wat te doen,
zal je net zien natuurlijk,
dat alle deuren opengaan
en jouw kans
(want zo zijn ze, kansen)
zich eindelijk voordoet.
Nee hoor, jij blijft zitten waar je zit,
je bungelbeent
en wacht.
Ga je ook niet op je bek.

Plaatsvervangend

Stilte werd opnieuw verdeeld
en heerst op ongewenste plekken.
Als schaamte vindt het wegen
naar wie er nooit om heeft gevraagd.
Het sluipt en kruipt
door de kieren van je huis
naar binnen,
terwijl ergens anders
oorverdovend hard verlangd wordt
naar momenten zonder ruis.
Mijn wens niet gestoord te worden,
krijgt geheel opnieuw betekenis,
terwijl jij in plaatsvervangende stilte
op precies hetzelfde hoopt
en je afvraagt hoe lang het is geleden
dat iemand het doorbrak.

Plaatsvervangend gaat over de bijeffecten van de Coronacrisis. Mensen die dichter op elkaar moeten leven dan soms wenselijk is aan de ene kant en eenzaamheid aan de andere.

Best druk in je eentje

Dus vandaag schreef ik drie brieven,
geschiedenis
en een oude kennis af.
Ik maakte schoon – huis en schip –
en ik versloeg, behalve draken,
een rugbywedstrijd op de BBC.
Ik deed nog een dutje
en een dansje
en wat God me had verboden.
Daarna gaf ik een lezing
over Kwantumtheorie,
waarin ik de hypothese
‘daar woon je beter van’,
van tafel veegde
door het prul met één karateklap
doormidden te slaan.
Ik haalde mijn zwarte band
en mijn hart op aan een kabeltrui,
waarna ik lunchte met gekonfijte eend,
wijn en dadels
en mijn allerbeste vriend.
Ik schonk hem aandacht en zijn glas vol
en haalde daarna mijn kinderen van school.
Ze moesten nog naar vliegles
en naar Kintsugi,
dus ik kon mooi een boodschap doen
voordat mijn minnaar kwam,
net als ik.
Ik waste de lakens en mijn handen
in onschuld en een scheutje bleek
voor extra wit en natuurlijk voor de buurvrouw,
die het liefst mijn vuile was zou zien.
Daarna draaide ik pasta
en een heel klein beetje door,
maar ik verwerkte mijn bitter in de pudding,
dus dat kwam mooi van pas.
De kinderen naar bed gebracht,
bood ik mijn man het hoofd,
waarmee ik ook hem
van mijn to do kon strepen
en ik eindelijk foto’s in kon plakken
van de geboorte van de vijfde.
Daarna viel ik in slaap,
in verwondering
en in brokken uiteen.
Ik moest alleen nog maar,
maar dat was echt het allerlaatste,
blijven dromen.
Want anders kon je net zo goed
niks meer doen.

Lellebel

“Eeuwig zonde”,
zei de mannenbroeder
en ik wou dat hij gelijk had.
Dat ik het rijk had
om voorgoed onkuis te zijn.
Tot laat van huis te zijn
met oproerkraaiers
en schorriemorrie.
Nooit meer sorry
voor mij liefste vuiligheid.
Branden in de eeuwigheid,
maar alleen onder mijn rokje.
Kus ik je verkering naar de nering
en vergeet ze hoe je heet.
Ik ben een helleveeg, een loeder.
Ik lellebel je moeder
tot ze komt.
Ik dans op barren
en op graven,
zuchtdoorlatend
in mijn niemendal.
Als ik van mijn voetstuk val,
land ik zacht in iemands bed.
Het is een eindeloos gebed
en een onmogelijke biecht.
Zeg ik: “Vergeef me vader,
want ik heb zo’n zin.
Heeft ú nog een vriendin?”
En ik grijns.
Ren nog vóór het zingen de kerk uit
voor een nafeest in de stad,
met tapijtplekken op mijn knieën
waar ooit mijn boete zat.

Voor

Ik heb je gemist,
niet daarnet hoor,
maar eerder,
voordat ik wist
wie je was en waar je.
Ik heb je gezocht.
Ik mocht je al
voor ik je vasthield
en ik hield van je,
voordat het mocht.
Ik heb je gevonden
en ik vond je
nog meer dan ik dacht.
Heb op je gewacht
tot je hier was.
en ik zie nu pas
hoe lang ik al zonder.

Ciara

Ze had het recht op een naam verworven,
als haar losgeslagen zusters.
Verwend rotwind als je het mij vraagt.
Opwaaiend lurex en rondvliegend strass.
Het ene moment speelt ze zachtjes met je haar,
het volgende neemt ze je vriendje mee.
Op Faceboek raast het,
ze maakt alles kapot.
Maar aan je voordeur zucht ze slechts
om al die heisa
en trapt een keer tegen je vuilnisbak.