Pas de Deux

Pas naar voren,
pas opzij.
Pas op mij
(want ik houd geen maat).

Pas op de plaats.
Pas op mijn tenen
(snel op getrapt).
Passie verdwenen.

Passie terug.
Je hand op mijn rug.
Dan draai ik om jou
en alles om mij.
Hand in mijn zij.

Pas geleden
Pasje geleid.
Passie weer kwijt.

Eén stap verkeerd.
Pas geblokkeerd.

Moeder kwijt

‘Ik wilde nog iets zeggen,
maar nu weet ik het niet meer.’
Telkens weer,
balanceert mijn moeder
op het puntje van haar tong.

‘Ik moet morgen naar een feest’,
vertelt ze. En ze pakt de kaart erbij.
De buurvrouw is dan jarig
(dat is ze al geweest).
‘En dan moet ik naar een zaaltje.’

Ze had ook nog een cadeau gekocht.
‘Een hoe heet het ook alweer.
Wel een goede hoor, geen rommel.
In die winkel, met die dingen.
Hè, nu weet ik het niet meer.’

Brieven gaan in mapjes,
etuitjes in tasjes
in laatjes in kastjes,
stuurt ze zichzelf van daar
naar de muur.

En dan weet ze ineens
van Edith Piaf
en hoe mooi dat was.
‘Ik heb haar ooit een brief geschreven.
In het Frans, denk ik. Dat kon ik toen.’
Ze weet heus nog dingen uit die tijd,
alleen niet waar die is gebleven.

Tongstrelend

Zou ik je kussen,
legde ik mijn hand om je wang.
Wachtte ik te lang,
omdat ik zenuwachtig was.
Herstelde ik pas
toen jij mijn haar
uit mijn gezicht zou strijken
en uit dat gebaar zou blijken
dat ik door mocht gaan.
Ik zou je adem
in mijn adem
en niet naar je durven kijken.

Mijn ogen dicht en dichterbij
tot ik bijna je lippen
en jij de mijne.
Ik in je zou verdwijnen
als ik nu al toe zou geven.
Heel even.
En dan mocht ik.
Zocht ik
je mond en een beetje zekerheid.

Beet ik zachtjes in je onderlip,
maakte het tongstrelend goed.
Voelde ik het bloed
waar het maar gaan kon
en het deinen van de wijn.
Een kus alvast tegen de pijn.
Zodat ik het ook aankon
dat je nooit van mij mocht zijn.

Bloei

Soms denk ik nog aan bollenschuren
waar je uren achtereen 
tulpenbollen pelde.
Je kistjes telde 
en de dagen.

Waar aan de lopende band 
liefdes bloeiden
en je hand in hand 
het erf verliet 
met de jongen van de rooimachien.
En je 's avonds op het strand zou zien
dat hij net zo min als jij
wist hoe je een kus begint.

Waar de zomerhits al stoffig waren
voor ze door de schuur heen kraakten
vanuit een oude radio.
En we ons geen illusies maakten
of grote zorgen,
want vandaag voorspelde morgen.
Zonnig en mooi weer zeven kistjes.

Waar het vuil zich ophoopte tot onder je huid, 
terwijl jongens om de heftruck streden.
Maar hoeveel pijn je handen deden
voelde je niet 
in die van hem.

Mis

’t Is zo voorbij,
zei de man die mij in slaap bracht
en hij aaide mijn gezicht.
Nog voor ik hierom huilen kon,
ontwaakte ik in ander licht.

Een lege schoot,
een lege maag.
Ik kreeg een waterijsje
(maar wilde graag een meisje).

Een vrouw voelde mijn pols
en liet de tijd verstrijken.
Ze wachtte nog een poosje,
keek weer naar haar horloge.
Gebroken hartslag,
zo zou blijken.

Ze hing nog maar een zakje op.
Een oplossing van zout,
maar niet voor mijn verdriet.
Die had ze niet.
Ik zag de druppels sneller gaan.
Ze vulden slechts mijn tranen aan.

Terug op zaal mocht ik een kopje thee
en een zuster die me zei:
‘Ik weet het meis, ben net als jij.’
Met een handdoek en haar medeleven
stond ze na de douche al klaar
Ze omhelsde mij heel even
(of viel ik in haar armen?)
bij het drogen van mijn haar.

Fiets

Op mijn nieuwe tweedehands,
ik had ‘m nog maar pas,
zoefde ik door duinen.
De wind door al mijn kruinen.
Mijn haar ging op in helmgras.

‘Papa, kijk me.
Kijk hoe snel ik ga.’
Mijn vader keek me na
en wist dat ik zou vallen.
En dat hij hoe dan ook te laat zou zijn.
Het asfalt deed ons samen pijn.

Een elleboog vol grind.
Een vader loog tegen zijn kind
dat het meeviel.
Dat ze heus wel op kon staan.
Dat ik echt wel door kon gaan.

Dat zou hij blijven doen,
me telkens weer behoeden.
Zijn zakdoek voor het bloeden.
Als de waarheid hard zou zijn.
Als mijn elleboog mijn hart zou zijn.

Maar echt naar viel ik pas
toen hij er niet meer was
en ik troost zocht in zijn zakdoek.
Ik vond er bijna niets.
Slechts een meisje naast haar fiets.

Leer

Ze droeg haar bruidsschoenen weer
De eerste keer
na het jawoord
en negeerde hoeveel pijn ze deden.
Ze pasten bij haar bloes,
maar meer nog bij haar wuft die dag
en ze deed alles wat niet mag.
Ze dronk wijn en lachte om zijn grappen
en ze hoopte op een kus.
Dit was het dus
met iemand anders.
Terug naar huis op hoge hakken
zou de wuft haar in de schoenen zakken.
Ze zocht haar sleutels en een goede smoes,
maar vond alleen het laatste.
En terwijl ze haar vinger op de deurbel plaatste
bloedden haar voeten in het harde leer.

 

Zoet

Weet je nog die keer dat ik je tranen likte?
En jij moest lachen door het afscheid heen.
Ze smaakten zouter nog dan bitter
en ik voelde je intens alleen.
Ik zei iets over dromen
en de liefdes van mijn leven
En ik overwoog nog even
niet te gaan.
Gewoon nog één keer terug te komen,
ik heb het niet gedaan.
De nacht in moest ik en de auto
zodat ik buiten zicht
toe kon geven aan hoe zwart het was.
Door mijn dashboard bijgelicht.
En met het puntje van mijn tong
proefde ik hoe bitterzoet mijn pijn.
Ik wilde altijd van je houden
en toch nooit meer bij je zijn.