Jatten

Het was je achteloosheid denk ik,
je onderarmen ook
en het ritsje op je trui.
Zoiets zit daar niet toevallig.
Daar kies je voor.

Ik stelde me voor,
eerst aan jou
en daarna dat achter dat ritsje
je hart lag.
Voor het oprapen,
voor het stelen.
Voor het te laat zou zijn
en jij gewoon weer op zou staan,
alsof je er ook niks aan kon doen.

Ik hield je aan de praat
en aan beloftes
die je uit zou spreken als het was gelukt.
Ik hoefde alleen maar
mijn hand op je hart te krijgen.

Later die avond
legde ik het mijne op je tong
(je was volledig afverleid)
en liet mijn vingers zoeken.

Ik ging naar huis
met een pakje grote vloe
en hooguit wat gestolen schuld.

 

 

 

 

Strandthuis

Verwant aan de tapuit,
ben ik een vreemde vogel.
Een flapuit die nergens
zo gedijt als hier.
Nog nat achter mijn oren
van het zeewater uit mijn jeugd.
Het zal de sterke stroming zijn.
Eeuwig plakken mijn handen
van ijsjes aan de vloedlijn
die kraakten tussen je tanden.
En onder de douche ’s avonds
scheen je schoon,
maar in bed kriebelde de dag
tussen je tenen.
Meer nog bleek ik later verliefd
op wind
op huid,
die opwindt
of juist tot kalmte maant,
net naar hoe je in je vel zit
– altijd licht verbrand,
want niets zo verraderlijk als een bries –
die mijn haar deed wapperen
alsof ik heel erg hard ging
in mijn raceauto van zand.
Ik ben een vrouw van strand,
die de zee kust
met lippen die zachtjes schuren
en waarin je vuur- en watertoren proeft.
Op een dag hoopt ze hier
nog dood gevonden te gaan worden
met de wind in haar
en geboortegrond
tussen haar tenen.

Was

Op mijn tenen door een zee van bloemen
zoemde een kist langzaam dichter
bijen dacht ik,
maar ik wist mijn vader.
Kwam het zoemen nader,
terwijl ik net geen stelen knakte,
maar misschien wel een beetje
op een lint ging staan

(Oh mijn lieve papaatje,
zeg het niet tegen mamaatje.
Ik zal zoet naar school toe gaan)

en vlug een ander pad koos.
Ik wilde niet.
De bijen zoemden koud
en ik zag zijn handen al.
Over rozen ging ik
en langs een mand vergeet-me-niet.
Natuurlijk niet.

Onder mijn voeten kraakte folie
en in mijn neus prikten lelies
toen een harde tik de zwerm verjoeg.
(Mijn vader was weer even koud genoeg,
De thermostaat zou stilte spoedig weer verstoren.)
Eenmaal aan het eikenhout
zag ik hoe de bijen zijn ogen
met was hadden gesloten,
hij zijn ziel al was verloren
en dat zijn lippen waren dichtgeplakt.

Ik durfde niet te kussen.

 

Christiaan S.

Ik zag een man in de drogist,
die ik vagelijk herkende.
Zijn gezicht sprak boekdelen
uit mijn jeugd.
Ik vroeg me af of hij nog wist
van de speeltuin
en de schutting
en zijn hand om mijn keel.
Hoe ik niet meer praten kon
en zijn vrienden moesten lachen.
Dat hij van me won,
doordat ik eigenlijk niks deed.
Tegen de grond onder de schommels.
haalde ik mij een kus op de hals
die je weken later nog kon zien
(en waarmee ik niet naar huis toe durfde)
omdat hij had gebeten.
Nooit echt vergeten,
gewoon onder het puin geraakt.
Hij keek naar me,
terwijl hij naar de kassa liep.
Rekende roze plastic af,
dat in China was gemaakt
voor de meisjes om zijn heupen.
En ik hoopte dat hij ze kon behoeden
voor jongens die hij was.

Dingdong

Beste reizigers,

De trein naar Lang en Gelukkig
van half vergeten,
rijdt vandaag niet.
Morgen ook niet trouwens,
nooit gedaan.
U kunt een minnaar nemen
richting ondergang
of overstappen
op de aard van iemand anders.
Houd rekening met een dood spoor.
U kunt ook wachten tot het overgaat.

NS zet kussen in.

Ariël

Ik weet nog wel dat ik een meermin was
en mijn stem weggaf voor benen
die wankelen als ik iets wil zeggen
en ik niet uit kan leggen
dat ik terug wil gaan.
Omdat ik zonder meer
te min ben
om op eigen benen te gaan staan.

Verlengde

Er zijn jongetjes die alles anders maken.
Ze zitten gewoon op je bank
en drinken stiekem van je thee.
Je wil vooral dat ze zich niet branden
aan verkeerde vrienden
en meisjes die van lieverlee
hun intrede zullen doen.
Ze lopen met hun vieze voeten
over je tapijt,
halen bloed onder je nagels.
Raken je sleutels kwijt
en hun zachte wangen
(die je tevergeefs zal blijven strelen
tot ze vierkant zijn
en stoppelig als die van hun vader).
Ze lagen altijd al
in jouw verlengde,
lang voordat ze hun plek opeisten
in je hoofd, je hart, je schoot.
Je bed ook,
waarin je op het randje ligt
en alleen je arm slaapt.
Ze hebben vragen die je zelf nooit stelde
en waarvan niemand je vertelde
dat ze konden komen.
Wat erger is bijvoorbeeld,
onthoofd of toch ontvoerd,
of je jezelf een ander mens kan dromen
en of ik niet liever een meisje…
(Nee.)
Er zijn jongetjes die alles anders maken.
Van twee
ervan
werd ik moeder
dan ik dacht te kunnen zijn.

Rouwpost

Er zat een hoge dichtheid
in de vrouw die aan mijn deur kwam.
Die mond, die lach, die krullen.
Ze verkocht kaarten voor het goede doel
en ik was haar niet vergeten.
Vorig jaar nam ik er al een paar,
maar had ze eigenlijk nooit gebruikt.

Haar lach verstilde
en brokkelde in stukken op mijn stoep.
“Ik was hier niet.
Niet eerder dan vandaag.”

Haar zusje

was na haar vakantie
in eeuwige rust gebleven
en in een laadruim teruggekeerd.
“Daarom loop ik nu haar kaarten.
Om iets van haar te houden.”

Nu liggen in mijn la dus
twee setjes
waar ik nooit iets mee zal doen.
“Dank u.
Voor uw gift enzo”, zei ze.
Enzo was denk ik
dat ik haar zusje had bewaard.

Hoogste tijd

Gisterenavond dacht ik
dat ik Harry Mulisch zag
fietsen in een ribcord broek.
Bij elke trap een stukje enkel bloot
en zijn haar verwilderd door de elementen.
Ik weet heus wel dat het aan mijn ogen lag
(en misschien het zwarte licht).
Mul isch al een tijdje dood.
Maar misschien dat hij in mij
ook een schrijver had herkend en
vandaag over mij dicht.

Aan me dacht

Soms kan ik niet bij je.
Dan ketsen mijn grappen
terug in mijn gezicht
en lach ik veel te hard om mij.
Dan mag ik niet op je lijf,
want net gegeten
of net vergeten
hoe het moet.
Aandacht bedoel ik.
Soms troost ik mij
door heel hard tegen je aan te ontvangen.
Het is niet een voortdurend verlangen,
maar meer iets dat terugkeert
als ik op mijn graagst ben,
op mijn vraagt ben
en jij juist dan geen antwoord geeft.
Mag ik een klinker kopen?
Ik kom er zelf wel uit.
Hoef je niks te zeggen,
alleen je hand hier neer te leggen
en mijn haar zo’n beetje
weg te strijken.
Naar me kijken
zoals anderen.
Niet veranderen,
dat vraag ik niet.
Je stugheid is me lief.
Maar soms kan ik niet bij je.
Dan geef ik mezelf weg
op plekken waar aan me wordt gedacht,
waar iemand op me wacht
en jij afvraagt waar ik blijf.