Plaatsvervangend

Stilte werd opnieuw verdeeld
en heerst op ongewenste plekken.
Als schaamte vindt het wegen
naar wie er nooit om heeft gevraagd.
Het sluipt en kruipt
door de kieren van je huis
naar binnen,
terwijl ergens anders
oorverdovend hard verlangd wordt
naar momenten zonder ruis.
Mijn wens niet gestoord te worden,
krijgt geheel opnieuw betekenis,
terwijl jij in plaatsvervangende stilte
op precies hetzelfde hoopt
en je afvraagt hoe lang het is geleden
dat iemand het doorbrak.

Plaatsvervangend gaat over de bijeffecten van de Coronacrisis. Mensen die dichter op elkaar moeten leven dan soms wenselijk is aan de ene kant en eenzaamheid aan de andere.

Best druk in je eentje

Dus vandaag schreef ik drie brieven,
geschiedenis
en een oude kennis af.
Ik maakte schoon – huis en schip –
en ik versloeg, behalve draken,
een rugbywedstrijd op de BBC.
Ik deed nog een dutje
en een dansje
en wat God me had verboden.
Daarna gaf ik een lezing
over Kwantumtheorie,
waarin ik de hypothese
‘daar woon je beter van’,
van tafel veegde
door het prul met één karateklap
doormidden te slaan.
Ik haalde mijn zwarte band
en mijn hart op aan een kabeltrui,
waarna ik lunchte met gekonfijte eend,
wijn en dadels
en mijn allerbeste vriend.
Ik schonk hem aandacht en zijn glas vol
en haalde daarna mijn kinderen van school.
Ze moesten nog naar vliegles
en naar Kintsugi,
dus ik kon mooi een boodschap doen
voordat mijn minnaar kwam,
net als ik.
Ik waste de lakens en mijn handen
in onschuld en een scheutje bleek
voor extra wit en natuurlijk voor de buurvrouw,
die het liefst mijn vuile was zou zien.
Daarna draaide ik pasta
en een heel klein beetje door,
maar ik verwerkte mijn bitter in de pudding,
dus dat kwam mooi van pas.
De kinderen naar bed gebracht,
bood ik mijn man het hoofd,
waarmee ik ook hem
van mijn to do kon strepen
en ik eindelijk foto’s in kon plakken
van de geboorte van de vijfde.
Daarna viel ik in slaap,
in verwondering
en in brokken uiteen.
Ik moest alleen nog maar,
maar dat was echt het allerlaatste,
blijven dromen.
Want anders kon je net zo goed
niks meer doen.

Lellebel

“Eeuwig zonde”,
zei de mannenbroeder
en ik wou dat hij gelijk had.
Dat ik het rijk had
om voorgoed onkuis te zijn.
Tot laat van huis te zijn
met oproerkraaiers
en schorriemorrie.
Nooit meer sorry
voor mij liefste vuiligheid.
Branden in de eeuwigheid,
maar alleen onder mijn rokje.
Kus ik je verkering naar de nering
en vergeet ze hoe je heet.
Ik ben een helleveeg, een loeder.
Ik lellebel je moeder
tot ze komt.
Ik dans op barren
en op graven,
zuchtdoorlatend
in mijn niemendal.
Als ik van mijn voetstuk val,
land ik zacht in iemands bed.
Het is een eindeloos gebed
en een onmogelijke biecht.
Zeg ik: “Vergeef me vader,
want ik heb zo’n zin.
Heeft ú nog een vriendin?”
En ik grijns.
Ren nog vóór het zingen de kerk uit
voor een nafeest in de stad,
met tapijtplekken op mijn knieën
waar ooit mijn boete zat.

Voor

Ik heb je gemist,
niet daarnet hoor,
maar eerder,
voordat ik wist
wie je was en waar je.
Ik heb je gezocht.
Ik mocht je al
voor ik je vasthield
en ik hield van je,
voordat het mocht.
Ik heb je gevonden
en ik vond je
nog meer dan ik dacht.
Heb op je gewacht
tot je hier was.
en ik zie nu pas
hoe lang ik al zonder.

Ciara

Ze had het recht op een naam verworven,
als haar losgeslagen zusters.
Verwend rotwind als je het mij vraagt.
Opwaaiend lurex en rondvliegend strass.
Het ene moment speelt ze zachtjes met je haar,
het volgende neemt ze je vriendje mee.
Op Faceboek raast het,
ze maakt alles kapot.
Maar aan je voordeur zucht ze slechts
om al die heisa
en trapt een keer tegen je vuilnisbak.

Ladder in mijn panty

Als ik hier ga staan,
zo in de zon,
midden op het plein,
zou je me dan zien?
Wacht, ik klim op een ladder
in mijn panty en een rode jurk
en dan roep ik je.
Hoor je?
Ik steek een fakkel aan,
zo één voor noodgevallen
– dit is er één –
en dan zwaai ik.
Ik ga op één been staan
op mijn hoge hakken
op het laddertje
op de kinderkopjes
op het plein
en dan wiebel ik.
Er beginnen mensen te roepen
dat ik op moet passen.
Een vrouw gilt,
misschien ben ik het.
Ik verlies mijn evenwicht
en mijn waardigheid
als mijn haar vlam vat
en ik voorover
de trap afdaal.
Ik heb niks dan klinkers in mijn mond
als ik opkijk
en nog net zie hoe mooi
je jas over je schouders hangt.
Gelukkig, je hebt me niet gezien.

Nagelbom

Je hebt de taal om een land te veranderen, zong ze,
en toch slik je je woorden in.
Lettervretend, zinnen prikkelend op je tong
en je proeft je onbekwaamheid.
Maar in je buik groeit een Frans gemanicuurde nagelbom
van ongeschreven regels en verzwegen vrouwenpraat.
Op een dag, een prachtige dag, gaat ‘ie af
en blaas je iedereen omver.

 

Nagelbom is geschreven voor het Great Granate Gala voor de vrouwelijke dichter, dat plaatsvindt op 15 maart 2020. Daar dragen 85 vrouwelijke dichters een kort gedicht voor bij het thema ‘Spijkers op het woord’, een verwijzing naar het 85e boekenweekthema Rebellen en Dwarsdenkers.

Voor hen die vallen

Struikel maar.
Verstap je,
verzwik je
en ga desnoods op je bek.
Kijk verbouwereerd achterom
en vraag je af wat er gebeurd is.
Maar meer nog,
sta stil bij wat er komen gaat
als je doorraast.
Als je doordendert
zoals nu.
Als je niet oplet
en geen oog meer hebt.
Als je vergeet.
Je valt in herhaling
en over verschillen.
Tradities zijn een struikelblok
en religies een kloof.
Breek je nek maar
en je hart,
zodat je niet nog eens,
gewoon niet nog eens,
aan dezelfde steen.

 

Het gedicht ‘Voor hen die vallen’ is geïnspireerd door Stolpersteine en een nieuw te bouwen Joods monument in de Helderse binnenstad.

Pleeg

We waren nachtzusters
en opereerden in het donker.
We deelden drankjes uit
en doekjes voor het bloeden.
Hielden haren vast van zieke meisjes
en troostten zeemannen
met storm in hun glas.
Ze visten slechts naar complimentjes
en we naaiden hun monden dicht
met lange halen
tot ze zo gehecht waren
dat ze liederen over ons zongen
en tatoeages namen
naar ons evenbeeld.
We waren nachtzusters,
opereerden in het donker
tot iedereen pijnvrij was,
de dienst geleverd.
Sliepen we samen in zachte kronkels
de dag weer heel
en maakten ons op
voor een nieuwe nacht
met nieuwe gewonden
en meisjes die nog moesten leren.
We waren nachtzusters
en je kuste mijn vingertoppen
als ik mezelf per ongeluk gesneden had
aan een matroos.