EMDR

Het was ergens onder in mijn brein
dat ik mijn kinderkamer vond.
Jij was er, wat eigenlijk niet kon
en de gordijnen van mijn oma.
Als de zon erdoor kwam
leken ze net de zee.
Ik was pas 5,
dan zie je zulke dingen nog.

In mijn oren tikte iets
en een vrouw vroeg me
waar ik aan dacht.
Aandacht.
En hoe ik me opkrulde in je schoot.

Het tikte verder
en ze vroeg me terug te gaan.
naar die keer dat ik me pijn deed
aan mijn vader.
Tik tak tik tak.
Pijn deed aan mijn vader,
in het licht van de oceaan.

Niet weggaan.

Tik tak tik tak.
Waar denk je aan?
Ik dacht aan alles
en dat alles zeer deed.
Maar mijn hart een woordkuil,
stroomde over van verdriet.
‘Gordijnen’,
zei ik maar.
Wat erachter was gebeurd
was niemands schuld
en nog het minst de mijne.

Maar ik was pas 5.
Dan zie je dat nog niet.

Tik tak tik tak.
Waar denk je aan?
Mijn vader op het tuinpad,
mijn geest een Sonneveld.
En dat ik hem dan na bleef kijken
van achter de gordijnen,

Niet weggaan

tot hij iets geks deed.
Altijd.
En me lachend achterliet.

Biologie

Hoofdstuk 19
ging over de huid.
Die was ‘semipermeabel’.
Er konden dingen door,
maar daarna niet meer uit.
Het ging over dagcrème
en uitlaatgassen
en dat je heus je gezicht kon wassen,
maar dat het leed al was geschied.
Toen dacht ik aan verdriet
en hoe een hand je aan kon raken
waar je dat graag wilde
of juist niet.
En zelfs aan woorden
die je van je af moet laten glijden,
maar dat dat dan niet lukt,
omdat ze zo snel je huid in trekken.
Een nek vol rode vlekken,
omdat je erin had lopen wrijven.
Of dat iemand die je net ontmoet had
er zomaar onder was geraakt
en daar waarschijnlijk zou blijven.
Maar niks van wat ik dacht
sprak ik hardop uit.
Ik bloosde slechts en wenste mezelf
een minder
doorlaatbare huid.

Verborgen boodschap

Ergens tussen cola
en het zuivelschap
(Nog voorbij ’t verse vruchtensap)
begon mijn hart opeens te bloeden.
Klaarlichte dag,
maar niemand die het zag,
gelukkig.
Ik zocht een manier
om te verschuilen
(Niet huilen. Niet huilen.)
en deed net of ik etiketten las.
(Door tranen heen
bevat alles te veel zout.)
Het drong al door mijn winterjas.
Stelpen moest ik,
voordat het aandacht trekken zou.
Mijn neus langs mijn mouw,
de Bonuskaart al in de hand.
“Dag mevrouw”, zei de cassiere.
Onbetaalbaar.
En ik legde mijn glimlach op de band.

Razende Bol

Laat me razen, liefste.
De storm ligt
niet aan jou.
Hij woedt
in mij.
En ik geef je de wind van voren.
Gaan al je woorden verloren
in mijn donderpreek.
Ik moet naar buiten, liefste.
Soms, zodat ik niks verwoest.
Ramen en deuren sluiten, liefste
tot ik weer bedaar.
Je kunt een vrouw wel uit de wind halen,
maar de wind niet uit haar haar.
En als ik dan ben uitgebriest,
kom ik gewoon weer terug.
Ik streel nog slechts je wang.
Blaas zacht maar zinnig
de wind in je rug
en mijn zomerjurk omhoog.
Een knipoog
van mijn eigen orkaan.

 

 

Mooie rooie

Dansen we de nacht weg
in een manwerend krachtveld.
Ze mogen wel kijken,
maar niet te dichtbij.
Ze is van mij
en ik de wilde hare.
Raakt ze me nooit meer kwijt.
Geen schuld, geen spijt.
Zusters in de zonde.
Twee vlinders in één buik
en aan een half woord…
Genoegens heimelijk gedeeld.
Heersen we onverdeeld
over de vloer.
Dansen we niet hetzelfde
en toch elkaars gelijken.
Vergeten dat ze kijken.
Meten twee harten dezelfde maat.
“Het is al laat”,
zegt zij. En we lachen.
Want beter laat dan nooit meer dit.

Zelf

Misschien als ik vanavond
als een diertje
onder dekens opgekruld
en mijn haar over mijn ogen,
adem door een kiertje
net doe of je hier bent.
Heel diep aan je denk
zodat je in mijn dromen komt
en ik in die van jou.
En dat ik dan mijn lijf,
(Ik ben nog steeds een diertje)
zacht onder je handen vlei.
(Vooruit, ze zijn van mij)
en ik me voorstel
hoe ik je liefheb gelijk mezelf.
Ben jij mijn naaste,
maar is en zijn je kussen leeg.
En tast ik in het duister,
als ik jou met al mijn liefs
zoek en aan me overgeef.

15

Ik ging zelf.
Een andere stad, op de fiets.
Mijn ouders zei ik niets.
Ze zouden het niet begrijpen.

Hij was ooit in dienst geweest,
lang voordat ik was geboren.
Ik wilde zijn verhalen horen
en in zijn groene legerjas,
een soldatenmeisje zijn.

Zijn luchtdrukpistool
en mijn schaterlach.
Een poster van een halfnaakte vrouw.
“Ze lijkt op jou”,
zei hij
En ik raakte haar recht in haar hart.

Uren later, zonder jasje.
(zonder spijkerbroek of ondergoed)
was ik geen soldatenmeisje meer.
Een penning voor mijn eer
en het jasje mocht ik mee naar huis.

Niemand heb ik daar verteld,
van wat hij had gedaan.
Er was geen sprake van geweld
(tenzij je geruisloos ook meetelt).
En ik was zelf gegaan.