Verborgen boodschap

Ergens tussen cola
en het zuivelschap
(Nog voorbij ’t verse vruchtensap)
begon mijn hart opeens te bloeden.
Klaarlichte dag,
maar niemand die het zag,
gelukkig.
Ik zocht een manier
om te verschuilen
(Niet huilen. Niet huilen.)
en deed net of ik etiketten las.
(Door tranen heen
bevat alles te veel zout.)
Het drong al door mijn winterjas.
Stelpen moest ik,
voordat het aandacht trekken zou.
Mijn neus langs mijn mouw,
de Bonuskaart al in de hand.
“Dag mevrouw”, zei de cassiere.
Onbetaalbaar.
En ik legde mijn glimlach op de band.

Razende Bol

Laat me razen, liefste.
De storm ligt
niet aan jou.
Hij woedt
in mij.
En ik geef je de wind van voren.
Gaan al je woorden verloren
in mijn donderpreek.
Ik moet naar buiten, liefste.
Soms, zodat ik niks verwoest.
Ramen en deuren sluiten, liefste
tot ik weer bedaar.
Je kunt een vrouw wel uit de wind halen,
maar de wind niet uit haar haar.
En als ik dan ben uitgebriest,
kom ik gewoon weer terug.
Ik streel nog slechts je wang.
Blaas zacht maar zinnig
de wind in je rug
en mijn zomerjurk omhoog.
Een knipoog
van mijn eigen orkaan.

 

 

Mooie rooie

Dansen we de nacht weg
in een manwerend krachtveld.
Ze mogen wel kijken,
maar niet te dichtbij.
Ze is van mij
en ik de wilde hare.
Raakt ze me nooit meer kwijt.
Geen schuld, geen spijt.
Zusters in de zonde.
Twee vlinders in één buik
en aan een half woord…
Genoegens heimelijk gedeeld.
Heersen we onverdeeld
over de vloer.
Dansen we niet hetzelfde
en toch elkaars gelijken.
Vergeten dat ze kijken.
Meten twee harten dezelfde maat.
“Het is al laat”,
zegt zij. En we lachen.
Want beter laat dan nooit meer dit.

Zelf

Misschien als ik vanavond
als een diertje
onder dekens opgekruld
en mijn haar over mijn ogen,
adem door een kiertje
net doe of je hier bent.
Heel diep aan je denk
zodat je in mijn dromen komt
en ik in die van jou.
En dat ik dan mijn lijf,
(Ik ben nog steeds een diertje)
zacht onder je handen vlei.
(Vooruit, ze zijn van mij)
en ik me voorstel
hoe ik je liefheb gelijk mezelf.
Ben jij mijn naaste,
maar is en zijn je kussen leeg.
En tast ik in het duister,
als ik jou met al mijn liefs
zoek en aan me overgeef.

15

Ik ging zelf.
Een andere stad, op de fiets.
Mijn ouders zei ik niets.
Ze zouden het niet begrijpen.

Hij was ooit in dienst geweest,
lang voordat ik was geboren.
Ik wilde zijn verhalen horen
en in zijn groene legerjas,
een soldatenmeisje zijn.

Zijn luchtdrukpistool
en mijn schaterlach.
Een poster van een halfnaakte vrouw.
“Ze lijkt op jou”,
zei hij
En ik raakte haar recht in haar hart.

Uren later, zonder jasje.
(zonder spijkerbroek of ondergoed)
was ik geen soldatenmeisje meer.
Een penning voor mijn eer
en het jasje mocht ik mee naar huis.

Niemand heb ik daar verteld,
van wat hij had gedaan.
Er was geen sprake van geweld
(tenzij je geruisloos ook meetelt).
En ik was zelf gegaan.

Erf

Ik hoopte op een dag
haar gele theeservies
met één gebroken kopje.
Misschien de eierdopjes
en haar gouden armband.

Ik hoopte op haar goede genen,
haar levenslust en doodsveracht.
(Liever niet haar benen,
als ik kiezen kon.)
En hoe ze huilt wanneer ze lacht.

Nu hoopt de zorg zich op
en ik ten langen leste
nog hooguit op het beste
en zij dat ze geen last zal zijn.

(Verzwijg ik mijn ware hoop in dezen
of genen niet belast te zijn.)

Pas de Deux

Pas naar voren,
pas opzij.
Pas op mij
(want ik houd geen maat).

Pas op de plaats.
Pas op mijn tenen
(snel op getrapt).
Passie verdwenen.

Passie terug.
Je hand op mijn rug.
Dan draai ik om jou
en alles om mij.
Hand in mijn zij.

Pas geleden
Pasje geleid.
Passie weer kwijt.

Eén stap verkeerd.
Pas geblokkeerd.

Moeder kwijt

‘Ik wilde nog iets zeggen,
maar nu weet ik het niet meer.’
Telkens weer,
balanceert mijn moeder
op het puntje van haar tong.

‘Ik moet morgen naar een feest’,
vertelt ze. En ze pakt de kaart erbij.
De buurvrouw is dan jarig
(dat is ze al geweest).
‘En dan moet ik naar een zaaltje.’

Ze had ook nog een cadeau gekocht.
‘Een hoe heet het ook alweer.
Wel een goede hoor, geen rommel.
In die winkel, met die dingen.
Hè, nu weet ik het niet meer.’

Brieven gaan in mapjes,
etuitjes in tasjes
in laatjes in kastjes,
stuurt ze zichzelf van daar
naar de muur.

En dan weet ze ineens
van Edith Piaf
en hoe mooi dat was.
‘Ik heb haar ooit een brief geschreven.
In het Frans, denk ik. Dat kon ik toen.’
Ze weet heus nog dingen uit die tijd,
alleen niet waar die is gebleven.

Tongstrelend

Zou ik je kussen,
legde ik mijn hand om je wang.
Wachtte ik te lang,
omdat ik zenuwachtig was.
Herstelde ik pas
toen jij mijn haar
uit mijn gezicht zou strijken
en uit dat gebaar zou blijken
dat ik door mocht gaan.
Ik zou je adem
in mijn adem
en niet naar je durven kijken.

Mijn ogen dicht en dichterbij
tot ik bijna je lippen
en jij de mijne.
Ik in je zou verdwijnen
als ik nu al toe zou geven.
Heel even.
En dan mocht ik.
Zocht ik
je mond en een beetje zekerheid.

Beet ik zachtjes in je onderlip,
maakte het tongstrelend goed.
Voelde ik het bloed
waar het maar gaan kon
en het deinen van de wijn.
Een kus alvast tegen de pijn.
Zodat ik het ook aankon
dat je nooit van mij mocht zijn.