Keuze

“Trek niet het boetekleed aan. Heb je enig idee hoeveel vrouwen ik voor me krijg die net zo zijn als jij?” Er valt een korte stilte. Nee, dat heb ik niet. Maar ik geloof niet dat mijn gynaecoloog echt een antwoord verwacht.

Ik ben zwanger. Ik ben zwanger en dat wil ik niet zijn. Niet eens omdat ik 16 ben of omdat het medisch gezien beter is van niet en zelfs niet omdat ik geen partner heb of het niet kan betalen. Ik ben zwanger en ik wil dat niet zijn. Met heel mijn wezen wil ik dat niet zijn.

Met heel mijn wezen wil ik blij zijn met een derde kind. Nog een moppie, misschien nu wel een meisje. Misschien als we verhuizen en een andere auto en dat ik dan weer in loondienst ga. En misschien word ik deze keer niet volkomen gek van slaapgebrek en hormonen. Misschien als ik mezelf gewoon wegcijfer… Dan kan het misschien. Maar het lukt me niet. Mijn hoofd, mijn huis en mijn hart zijn vol. Voller zou voor niemand goed zijn en nog het minst voor het kind dat nu nog een paar cellen is. Het kind dat ik misschien wel – de barsten schieten in mijn ziel –  niet lief zal hebben als die andere twee.

Ik kán niet blij zijn.

Ik leg mijn dokter uit hoe het zo kwam. “Ja, stom natuurlijk. Ben je al zo lang bij elkaar. Er was natuurlijk dat debacle met dat spiraaltje. En ik vond ongelukjes altijd een beetje dom.” Zenuwachtige gniffel. “Nou, karma is wel een trut hè?” De dokter maant me om te stoppen. Het maakt niet uit hoe het zo kwam. Ik zit hier niet voor niks.

Pas veel later weet ik weer wat ik altijd vond. Over abortus. En nóg vind. Dat vrouwen altijd de keus moeten hebben. Dat ze zich niet hoeven verantwoorden. Aan niemand. Niet aan de dokter zoals ik deed, maar ook niet aan hun omgeving of aan mensen die tegen abortus zijn. Al had ik mijn ‘holy trinity’ twaalf keer in een week laten ontheiligen door God weet wie, het gaat niemand wat aan.

Vandaag, vier jaar later, lees ik via Twitter een stuk op EenVandaag. Over demonstranten die vrouwen insluiten bij een abortuskliniek en ze verknipte embryo’s laten zien. Het is geen nieuws. Geluiden tegen abortus zijn ook in Nederland altijd hoorbaar. Soms zijn ze luider. Maar vandaag lukt het me niet om er alleen maar een boze tweet aan te wijden. 280 tekens zijn niet genoeg om ook maar het minste licht te werpen op de betekenis van keuzevrijheid.

Abortus is legaal in Nederland. Wij mogen kiezen. In landen waar dat niet mag, kiezen vrouwen net zo vaak. Want soms is een leven met een ongewenst kind nog altijd minder gewenst dan ondraaglijke pijn en het risico te sterven aan infecties of bloedverlies. Mogen kiezen is een vrijheid waar ik letterlijk met mijn lijf (Mijn. Mijn lijf.) voor zou gaan liggen als het nodig was. Wat ik eerder niet wist, maar wat niks aan die mening afdoet, is wat het betekent om hem daadwerkelijk te maken.

Geen enkele vrouw maakt die keuze lichtzinnig.

Kiezen om dit kind niet te laten bestaan deed zeer. Meer pijn dan ik hier uit kan leggen. Rouw om een stommiteit die nooit iets mooiers gaat worden dan dat. Ik had geen anti-abortus schreeuwers nodig om me ellendig te voelen. En ik had ze niet nodig om me te weerhouden. Vrouwen belagen bij een abortuskliniek is onmenselijk. Dreigen met verdoemenis draagt hooguit bij aan de hel waar ze al in zitten. Wat betekent pro life als je niet verder kan kijken dan het leven van een ongeboren vrucht?

Kiezen om dit kind niet te laten bestaan was de enige goede keus. Voor mij, voor ons, voor het kind dat nooit een kind zal zijn. Mijn arts begreep dat. Hij had de kennis en de middelen en hielp me mijn afweging zo zorgvuldig mogelijk te maken. Geen oordeel. Hij bood me het enige geluid dat ik nodig had. En ik koos. Voor mij.

 

Groeipijn

“Het lijkt wel of het leven hier niet goed genoeg meer voor je is!” Hij stond tegenover me in de keuken en kneep mijn keel dicht met zijn woorden. Hoge woorden, die hij kwijt moest. Woorden ook waarop ik geen antwoord had. Mijn stilte klonk bevestigend, ook voor mezelf.

Natuurlijk. Natuurlijk was het goed genoeg. Het leven thuis, met een man en kleine jongetjes. Met judo-toernooien en nog even naar de slager. Met ‘haal jij ze op, dan zorg ik voor het eten’. Met voorlezen en overhoren. En met tonnen liefde, dat ook. Maar vingers en zere plekken. Ik kon niet ontkennen dat ik weg wilde. Soms. Naar plekken waar ik leuker ben.

Ik probeerde het hem uit te leggen. “Ik ben aan het bloeien. Ik ga goed daarbuiten. Ik haal opdrachten binnen en waardering. Mensen lezen wat ik schrijf, vinden het goed en voor het eerst in mijn leven vind ik dat zelf ook. Ik word opgemerkt…” Het was even stil. “Door andere mannen?” Weer kneep hij mijn keel dicht. Ja, ook door andere mannen.

Ik was afgedwaald de laatste tijd. De buitenwereld trok zo hard aan mij dat ik liever daar was. Fysiek daar of via mijn telefoon, maar in ieder geval niet hier. Want hier werd ik voor lief genomen. Ongelooflijk lief, dat wel. Maar toch. Voor lief.

Mijn God, wat een cliché was ik geworden. Vrouw van tegen de 40 die ‘balletjes hoog houdt’ en ‘een team vormt’ met haar man, maar zo ongelooflijk pijnlijk verlangde naar zijn aandacht en zijn begeerte en een gesprek dat niet over de agenda ging. Zo’n stel zouden we nooit worden. Zo’n stel werden we toch. Want Jezus, wat is het godvergeten moeilijk om van elkaar te blijven houden als het leven zelf ertussen komt te staan.

Groeipijn heb ik. Ik wil vooruit. Ik houd me mijn hele leven al in en mijn tijd is nu. Ik wil iemand zijn daarbuiten. Maar niet, nooit ten koste van mijn gezin.

Joke Smit belde. Ze wil haar feminisme terug.

Waar ik de verdeling tussen werk en zorg altijd beschouwde als één van de grote feministische thema’s, beleefde ik het als iets logistieks. Iets met je uren verdelen, iets waar we uitkwamen met elkaar. Hij en ik. Ik vind dat vrouwen zich door niks en niemand in de weg moeten laten zitten om te worden wie ze willen zijn. Mijn man vindt dat ook. Maar vinden en voelen is niet per se hetzelfde. Logistiek is niet het punt. Het is de liefde die het ingewikkeld maakt. Want hoeveel kun je elkaar gunnen zonder elkaar te missen? En hoe hard kun je groeien zonder dat uit elkaar te doen? Verlies ik hem als ik word wie ik echt kan zijn?

Ik wil het. Ik wil het allebei. Ik wil hier zijn en daarbuiten. Ik wil zorgen en werken. Ik wil een goede moeder zijn. Zo graag een goede moeder zijn. En ik wil zijn vrouw zijn. Eentje waar hij trots op is. Maar bovenal wil ik, moet ik, mijn eigen vrouw zijn. Trots zijn op mezelf.

En nog nooit eerder schuurden mijn idealen zo pijnlijk tegen mijn hart.

Mis

’t Is zo voorbij,
zei de man die mij in slaap bracht
en hij aaide mijn gezicht.
Nog voor ik hierom huilen kon,
ontwaakte ik in ander licht.

Een lege schoot,
een lege maag.
Ik kreeg een waterijsje
(maar wilde graag een meisje).

Een vrouw voelde mijn pols
en liet de tijd verstrijken.
Ze wachtte nog een poosje,
keek weer naar haar horloge.
Gebroken hartslag,
zo zou blijken.

Ze hing nog maar een zakje op.
Een oplossing van zout,
maar niet voor mijn verdriet.
Die had ze niet.
Ik zag de druppels sneller gaan.
Ze vulden slechts mijn tranen aan.

Terug op zaal mocht ik een kopje thee
en een zuster die me zei:
‘Ik weet het meis, ben net als jij.’
Met een handdoek en haar medeleven
stond ze na de douche al klaar
Ze omhelsde mij heel even
(of viel ik in haar armen?)
bij het drogen van mijn haar.

Mama

Ik raak mijn moeder kwijt. Of nee, eigenlijk ligt het anders; mijn moeder is zichzelf aan het verliezen. Dementie mag het niet heten, volgens de neuroloog. Maar wat weet hij nou? Een cardioloog ziet toch ook niet hoe vaak je hart gebroken is?

Mijn moeder is 65 jaar en twee keer weduwe. Dat klinkt precies zo afschuwelijk als het is. De eerste keer was het mijn vader die haar achterliet. De tweede keer de man die haar het geluk teruggaf. Voordat ze 55 was had ze twee mannen verzorgd en liefgehad tot ze, graatmager en hallucinerend van de morfine, stierven in haar armen. Ze belde het uitvaartcentrum, zocht een pak voor ze uit en sprak op hun begrafenis. Bij mijn vader zong ze zelfs. Twee regels. “Je hebt me geleerd om van je te houden, zoals een meisje dat één keer wil doen. Toe leer me nu ook om verder te leven, zoals we dat samen zo graag zouden doen.”

Mijn moeder was wat men veerkrachtig noemt. Sterk en dapper. Ze leek in staat om zichzelf na het rauwste rouwen te herpakken. Aan het werk, aan de wandel en zingen in een koor. Als het leven een lied van Ramses Shaffy was, deed ze alles weer. Alleen lach en bewonder bleven achter. Ze was haar lichtheid kwijt. Mijn moeder had vroeger glitters. Die zie ik pas nu ze er niet meer zijn.

Wanneer het precies begon kan ik niet zeggen. Ze maakte fouten op kantoor, vertelde soms iets voor de tweede keer, kwam niet op woorden of gebruikte de verkeerde. Haar televisie doet het nooit, haar computer doet raar en ze moet echt een nieuwe telefoon. Maar met die apparaten is niks mis. Inmiddels is ze een paar keer verdwaald en verdwaalt ze soms in haar verhalen. Mensen krijgen nieuwe namen, dingen heten anders of gewoon een ding. Ongeduldig zit ik de gesprekken uit. Mijn ergernis is liefde. Ik mis mijn moeder.

“Ik wilde nog wat zeggen, maar nu weet ik het niet meer”, zegt ze vaak. Alsof ze constant voelt dat haar geest haar in de steek laat. Alsof ze zich hele dagen in dat gebied bevindt, vlak voor de herinnering. Mijn moeder leeft op het puntje van haar tong, maar de woorden komen nooit. Zoals alle vrouwen in mijn familie, verliest ze haar taal. Het is mijn grote angst. Als ik geen taal meer heb, ben ik niemand meer.

Mijn moeder doorliep netjes alle fasen van een gezond rouwproces en volgens de scans is haar brein gezond. ‘Officieel’ is er niks met haar aan de hand. Maar ik vraag me af: Hoeveel pijn kan een mens verdragen zonder zijn verstand te verliezen? Hoe houd je jezelf bijeen als je leed groter is dan iemand ooit bevatten kan? En hoe houd je zoveel mogelijk liefdevolle herinneringen vast zonder andere op te offeren? Misschien, heel misschien, houdt mijn moeder twee mannen in leven, maar vergeet ze daarbij zichzelf.

Ik kan het niet stoppen dat mijn moeders brein verzandt. Ik zie haar voor me als een afbrokkelende zandsculptuur en ik probeer haar met mijn handen weer in vorm te drukken. Het zand glipt door mijn vingers en mijn moeder lijkt in niks meer op wie ze was. Waar het heen gaat weet ik niet. Hoelang ze nog zo door kan, wanneer het echt misgaat… Het enige dat ik hoop is dat ik haar veerkracht heb. Dat ik sterk en dapper ben en mijn glitters kan bewaren.

Mama, vergeef me als ik boos doe. Ik weet gewoon niet hoe dit moet. Als ik mijn zinnen verzet kan ik naar je luisteren, zelfs als je taal niet klopt. En als je er niet uitkomt, laat het gaan. Houd je mannen in gedachte, dan doe ik de rest wel. Ik heb genoeg woorden voor ons allebei.

Geliefd

Zaterdag stierf er een moeder. Dat doen ze soms, moeders. Maar eerlijk is het nooit. Het was een schoolpleinmoeder, ik kende haar alleen van gezicht. Als ze maar een half procent op mij lijkt, hield ze van haar kinderen en was ze veel te jong.

Mijn vader stierf op zijn 52e. Ook jong. Ik was 19. Voor de wet volwassen, maar voor mijn vader gewoon zijn kind. Ontredderd was ik en me er plotseling volledig van bewust wat het betekent om je verscheurd te voelen. Tot jaren na zijn dood voelde ik, onzichtbaar onder mijn huid, een scheur van mijn keel tot aan mijn navel.

Maar mijn vader zag mij opgroeien. Hij zag mij schitteren in de eindmusical van groep 8. (Ik speelde ‘volk’, maar hij, hij zag me schitteren.) Hij was er voor me toen ik dacht dat geen enkele jongen me zag staan. Hij nam de wind van voren als mijn puberale hormonenstorm te hevig werd en ik hem overal de schuld van gaf. Hij was er zelfs toen hij al ziek was en ik mijn vwo-diploma haalde.

Ergens in Den Helder zijn twee kinderen hun moeder kwijt. Een vrouw die ik niet kende. En toch zit ik hier achter mijn laptop met een scheur in mijn bast, van mijn keel tot aan mijn navel. En ik kan alleen maar hopen dat deze kinderen zich door haar geliefd hebben geweten. Geloof me, dat is het enige dat helpt.

 

Deze blog verscheen als column (In 60 seconden) in de Helderse Courant. Vanwege de vele ontroerende reacties, post ik ‘m ook hier.

In een wasmand van de trap af

‘Dat ondernemen hè, dat valt me dus reuze mee. Maar die kinderen ernaast en mijn vriendinnen. Oh, en het huis! Sporten natuurlijk. Heb ik ook al in geen eeuwen gedaan.’

Bijna was ik mijn man vergeten. Snel zei ik: ‘Ja, en jij natuurlijk!’

Het was een grapje, want eigenlijk valt dat ondernemen me echt niet zo mee. Maar alles dat erachteraan kwam was pijnlijk waar.

Precies een jaar geleden begon ik voor mezelf. Het liep zo. Niks droom, doel, visie, eye of the tiger… Wel een sprong in het diepe. Of beter nog een val. Maar toch, in het diepe.

Inmiddels durf ik mezelf ondernemer te noemen, in de letterlijke zin van het woord. Ik voel me als een ondernemend kind dat de wereld om zich heen nog helemaal ontdekken mag. Een lieveheersbeestje in het gras, je eigen schaduw… Of gewoon wat er gebeurt als je jezelf in een wasmand de trap af gooit. Met een beetje mazzel gaat het goed.

Het afgelopen jaar leerde ik alles over ondernemen dat ik zelden van iemand anders hoorde. Want echt, om mij heen leken ze allemaal allang te weten hoe je BTW-aangifte moet doen, wat acquisitie nou precies is, hoe je een offerte opmaakt en wat je moet vragen voor je waar. (Echt, zoveel? Maar zo goed ben ik toch nog helemaal niet?) Niemand leek het lastig te vinden om alles in je eentje uit te moeten zoeken en geen collega’s te hebben om je dilemma’s aan voor te leggen. Of om je opdrachtgevers op elkaar af te stemmen en simpelweg een keertje nee te zeggen.

En daar kwam nog iets anders bij. Iets waar ik eigenlijk omheen wilde, iets waarvan ik vond dat het er niet mocht zijn, iets wat me tot op de dag van vandaag ergert. Ik bleek een typisch vrouwelijke ondernemer. Lekker dan.

Wat dat is, een typisch vrouwelijke ondernemer? Laat ik voorzichtig zijn. Want als ik ergens allergisch voor ben zijn het hokjes, vooral hokjes op basis van biologische indelingsprincipes. Ik zal het dus als volgt verwoorden:

Net als veel andere vrouwelijke ondernemers ben ik onzeker over de waarde van mijn product, noem ik mijn zaak vaak mijn bedrijfje, kan ik voor geen meter onderhandelen en verdien ik minder dan mijn mannelijke vakgenoten. (Nee Yanaika, je verdíent hetzelfde, je krijgt alleen minder!) Ik kamp daarnaast met schuldgevoelens naar mijn kinderen en heb moeite dingen als het huishouden los te laten. En de strijk. Wanneer doe ik in vredesnaam de strijk?!

Niet echt een lekkere score voor iemand die zich feminist pleegt te noemen.

En ik weet niet of het aan mij ligt, maar ook praktisch vind ik het soms een ramp om zorg en werk te combineren. Belangrijke afspraken en een ziek kind, deadlines en schooltijden… Of die ene keer dat je je kind toch maar meeneemt naar een overleg en hij dan keurig in een hoekje zijn broek vol poept.

Zelden voel ik mij kortom ‘momtrepeneur’ of die woman on top waarover ik zo vaak in tijdschriften lees. Die ondernemer op hoge hakken, keihard door het glazen plafond gestoten en toch heur haar nog in de krul. Bink en Boekweit elke dag op tijd op school en op woensdag naar kinderyoga. Hobby’s: hardlopen, burlesque dansen en een tweede bedrijfje. (Maar die gewoon voor de lol hoor.)

Oké, ik ben jaloers. Natuurlijk weet ik wel dat het niet echt is allemaal. Deze vrouwen zijn de sociaal geretoucheerde versie van zichzelf. Hun levens gefotoshopt. Maar net als met cellulitisloze dijen en jukbeenderen van porselein geldt ook hier: Als je genoeg van dit soort beelden ziet, ga je vanzelf geloven dat je mooier, slanker, beter moet.

Daarom wil ik een pleidooi houden voor de ware vrouwelijke ondernemer. Wie ze ook mag zijn. Van de ploetermoeder met een lingerielijn tot de CEO met kinderwens. En van de opdrachtloze freelancer met alle tijd voor haar hobby tot de gescheiden webshophuisvrouw die in mum van tijd een imperium opbouwde.

Natuurlijk bestaat dé vrouwelijke ondernemer niet. Maar we hebben minimaal een paar zaken met elkaar gemeen. Sommige van die dingen zou je vrouwelijk kunnen noemen, andere herkennen manlijke ondernemers net zo goed. Laten we in elk geval eerlijk zijn over die dingen.

Ik combineer de twee leukste banen ter wereld. Ik heb een tekstbureau en ik ben moeder. Als elke dag achtenveertig uur zou duren zou ik in allebei zomaar heel goed kunnen zijn. Nu doe ik eigenlijk maar wat. Maar mijn kinderen houden van me en mijn opdrachtgevers komen terug, dus misschien is dat zo slecht nog niet. Ik heb geduldige vriendinnen en een man die soms gek van me wordt, maar altijd achter me staat. Sporten is nog wel een dingetje. En de strijk natuurlijk. Als ik op een dag echt succesvol ben, huur ik daar iemand voor in.

Mis

‘En dan zie je hier inderdaad dat het hartje niet meer klopt.’ ‘Ja’, zeg ik. En heel even lijkt het alsof we samen slechts vaststellen wat we al vermoedden. Maar dan ontsnapt een snik uit mijn keel en weet ik hoeveel pijn een miskraam doet.

Even later zit ik, nog altijd zonder ondergoed, rechtop op de behandeltafel. A. krijgt een hint van de verloskundige. ‘Troost haar maar.’ Want waar ik allang wist dat het mis zou gaan, is hij met stomheid geslagen. De verloskundige strijkt me troostend over mijn blote been. Ik bedenk me dat ik mijn benen niet heb geschoren en dan hoe stom het is om me daar nu druk om te maken.

We overleggen wat er hierna gaat gebeuren. Ik kies ervoor te wachten tot de natuur zelf haar werk gaat doen. Ik wil geen curettage. Een curettage zuigt, wordt al gauw de running gag bij ons thuis. Nou ja, bij mij dan. Mijn man kan er niet om lachen.

Groot en onstilbaar

Aan onze zoon van vier vertellen we niks. Onze zoon… Als ik hem niet had, was dit misschien nog wel veel erger geweest. Ik heb een kind. Een gezond, blij kind en ik zou mijn zegeningen moeten tellen. Maar toch… We wilden er zo graag nog één.

Op de dag na het slechte nieuws, als ik alleen maar geslapen heb en gehuild, belt zijn juf. De kleine dude heeft al de hele dag verdriet. Waarom weet hij niet, maar het is groot en onstilbaar. Hij mag naar huis en ik weet dat ik hem iets uit moet leggen. Ik vertel hem dat mama erge buikpijn heeft en daarom soms even huilen moet, maar dat het allemaal goed komt. Ik hou zoveel van hem en ben zo blij dat hij er is.

In de week die volgt heb ik weeën en bloedverlies, maar het komt niet tot een volledige miskraam. Ik lig op bed en spreek het toe: ‘Kom maar kleintje. Ik laat je gaan.’ Als het vruchtje maar uit mijn lijf is, redeneer ik, dan kan ik het gaan afsluiten.

Ik huil meer in een week dan normaal in tien jaar. Ik kan niet meer stoppen. Een brij van verdriet, hormonen en fysieke pijn maken dat ik geen enkele grip krijg op wat ik voel. Ik ben een kraamvrouw zonder kind. Zou ik zonder de hormonen beter bestand zijn geweest tegen dit verlies? En als ik niet bij elke kramp het afscheid voelde, zou de pijn dan draaglijker zijn geweest?

Zorg en aandacht

Uiteindelijk beland ik toch in het ziekenhuis voor een curettage. Iedereen is lief, van de anesthesist tot het verplegend personeel. Ik krijg een aparte kamer en wordt goed in de gaten gehouden.

Terwijl ik naar de OK word gereden voel ik me verscheurd, maar ook opgelucht dat het straks allemaal voorbij is. Als ik bijkom uit de narcose staat er een verpleegkundige naast mijn bed. Ze vraagt hoe ik me voel en bedoelt waarschijnlijk of ik niet misselijk ben. De narcose heeft mijn laatste remmingen weggenomen en tegen deze wildvreemde vrouw zeg ik: ‘Ik ben zo verdrietig.’ Ze blijft bij me en streelt me door mijn haar.

Terug op zaal wacht mijn man op me. Zijn verstilde gezicht spreekt boekdelen, het valt hem zwaar. Maar tegelijkertijd staat hij aan de zijlijn. Hij krijgt niet de zorg en aandacht die is weggelegd voor moeders met lege handen. Natuurlijk, zonder de biologie voelt het misschien anders, maar dit is ook zijn verlies. We bespreken dat er heus wel weer een zwangerschap komt en heus op een dag nog een kindje. Maar nu niet.

Eerlijk

In de periode die volgt ben ik open en eerlijk over de miskraam. Ik functioneer niet volledig, heb constant hoofdpijn, word geplaagd door een soort opvliegers en het komt niet in me op te verbloemen waar dat door komt. Tot mijn verbazing krijg ik verhalen terug. Heel veel verhalen. Verhalen van dertig jaar oud en verhalen van pas geleden. Zoveel vrouwen gaan hier een keer doorheen en de meeste houden hun mond erover. Maar mijn eerlijkheid blijkt een strohalm. Eindelijk mogen ze ook vertellen hoe het hen is vergaan.

We proberen uit alle macht weer zwanger te worden en al gauw beseffen we dat we zo’n koppel zijn geworden. Zo’n stel waarbij de lust vergaat doordat de liefde moet leiden tot een baby. Ik heb een ovulatie app en doe ovulatietests. Op ons dieptepunt probeer ik A. na een lange congresdag te verleiden tot een vrijpartij. Want volgens de statistieken ben ik NU vruchtbaar. Hij is moe en heeft geen zin. Ik ook niet, maar doe alsof. Als ik hem niet zover krijg word ik boos en neem het hem kwalijk dat ik ook deze maand weer niet zwanger ben.

Daarna ben ik er klaar mee. Ik gooi de tests weg en verwijder de app van mijn telefoon. Drie weken later kan ik nergens meer terugvinden wanneer ik nou ongesteld had moeten worden. Nu ergens, toch? Stiekem doe ik een zwangerschapstest. Ik wil de teleurstelling klein houden door hem in mijn eentje te doorstaan. En dan zie ik een heel dun streepje. Is het wel een streepje of verbeeld ik het me? ’s Avonds laat ik mijn man de test zien. Ja, het is een streepje, vind ook hij. En meteen weten we: Dit kindje gaat er komen.

What to expect when you’re expecting…

Je eerste kind is onderweg. Je hebt de verf voor de babykamer binnen, een bedje en een commode, je hebt je ingelezen over bevallen en borstvoeding, je kunt je eigen veters niet meer strikken door die enorm buik en je moet constant plassen. Kortom, je bent er klaar voor, laat die baby in Godsnaam komen! Maar niets, helemaal niets had je voor kunnen bereiden op de gebeurtenissen die zullen volgen. Ook dit artikel niet. Toch waag ik een poging een paar van de grote veranderingen te bespreken. Als je ze dan tegenkomt, weet je in elk geval: Het hoort er allemaal bij.

De bevalling

Of je nou begint met weeën of met een drijfnat bed, die bevalling blijft een verrassing. Je weet eigenlijk al je hele leven dat ie ooit een keer komt en de afgelopen maanden werd het een steeds reëler scenario. Maar wat het echt inhoudt, een kind op de wereld zetten?

Het wordt in elk geval een troep met al die lichaamsvloeistoffen. En er is geen plaats voor gêne. ‘Ik moet poepen’ piepte ik bij mijn eerste. Zo genant! De verloskundige keek me diep in de ogen en zei: ‘Zet je er overheen, nu. Je baby komt eraan!’ En dus deed ik het op een doekje ten overstaan van de verloskundige en de man die mij in een moment van lust en liefde in deze situatie had gebracht. Zou hij me ooit nog begeren? (Baby nummer twee zegt genoeg denk ik. ‘Ik zag mijn eerste zoon geboren worden mens! Wat kan mij een beetje viezigheid nou schelen?’ zou hij later tegen me zeggen.)

Dat het pijn gaat doen is ook zeker (serieus, er moet een baby door je vagina. Laten we niet gaan doen of puffen dat makkelijker maakt), maar je zult versteld staan van hoe sterk je bent. Én van de geluiden die je maakt! Want of je nou een schreeuwer blijkt of meer het ultrasone type bent, je maakt kennis met een nieuwe kant van jezelf.

Maar het is echt waar, als je kindje er is, ben je alles vergeten. Ineens is er dat mormeltje waarvan je later de foto’s ziet en denkt: ‘Oeh, ’t was eigenlijk net een alien!’, maar waarvoor je op dat moment een diepe herkenning voelt en tegelijkertijd een overweldigende verwondering om zoveel schoonheid. Hij is er! En je leven zal nooit meer hetzelfde zijn.

De kraamweek

Met een beetje geluk heb je een fijne kraamverzorgster die je op gezette tijden naar bed stuurt en je wakker maakt met een fruitcocktail. Ze doet je wasjes en vertelt je alles wat je moet weten over badjes, kruikjes, bedjes en flesjes (verkleinwoorden worden vast onderdeel van je vocabulaire in deze periode, dat trekt weer bij.) Maar zelfs met een fijne kraamverzorgster, is de eerste week een totaal bizarre. Je hebt met je bevalling een soort marathon achter de rug, onderweg misschien wat vaginale blessures opgelopen, en in dat wiegje ligt plotseling een mensenkind dat vanaf nu volledig afhankelijk van je is. En had ik al gezegd dat je haar nog nooit zo slecht gezeten heeft als nu? Juist in die week komt iedereen die je kent bij je op visite! Dat is leuk en lief en iedereen is oprecht blij voor je. Als je het een beetje in goede banen kan leiden, kun je er zelf ook echt wel van genieten. Maar na een paar dagen van nachtelijke voedingen, hormonale schommelingen van de categorie Efteling en alle bijkomende emoties, kan het je op z’n zachtst gezegd even teveel worden allemaal. Te onderscheiden zijn ‘de wegtrekker’ (praten jullie maar verder, ik registreer niks meer), ‘de huiler’ (spreekt voor zich) en de ‘plotseling in hysterische labiliteit uitvallende binnenvetter’ (die lacht en kletst maar door en negeert alle signalen van haar lichaam en geest in de hoop dat de visite gauw weggaat). De typen kunnen zich ook binnen één persoon openbaren en soms zelfs kort na elkaar of min of meer tegelijktijdig. Om vervelende situaties te voorkomen kun je een codewoord afspreken met je kraamverzorgster. Zij bonjourt je visite eruit, terwijl jij je discreet terugtrekt voor een bescheiden meltdown.

Je lichaam

Wel eens een post-partum buik gezien? Ai… Kort na de bevalling mag je van het bed af om te douchen. Daar sta je dan, compleet in de war van al het heftigs dat net gebeurd is en van die enorme klap ‘liefde op het eerste gezicht’ die je net te verwerken kreeg. Je bent een beetje duizelig misschien en wat wiebelig en dan kijk je naar beneden. Je buik die je zo trots gedragen hebt en waarvan je je regelmatig afgevraagd hebt of ie het echt zou houden, is een leeggelopen zak met een enorme navel erin. Na het douchen krijg je een soort vierkante onderbroek aan met daarin het grootste stuk maandverband dat je ooit in je leven zult zien. Het zal oppervlakkig lijken, maar op dat moment denk je toch even aan de tijd die je nog hebt voordat je weer in bikini moet.

In de week die volgt (je weet wel, met al die visite) moet er het beste van zien te maken. Die buik wordt echt weer kleiner (borstvoeding geven helpt), maar ondertussen zwellen je borsten op tot ongekende proporties. (Er is een korte periode dat buik en borsten een soort natuurlijk evenwicht lijken te vormen, maar dat is helaas niet blijvend.) Afhankelijk van je normale cupmaat kan het best leuk zijn ook eens uit je bloes te knallen en het is in elk geval fascinerend om te zien waartoe een vrouwenlichaam in staat is. Maak er een foto van, want over een paar jaar geloof je nooit meer dat ze echt zo groot zijn geweest. Helaas kun je er niks anders mee dan je kind voeden, want ze doen al pijn als er alleen maar naar gewezen wordt.

Verder kun je te maken krijgen met haaruitval, verstopping, acné, aambeien, hechtingen, licht urineverlies, vet haar en transpiratiegeur. Ik bedoel maar te zeggen dat je inner-MILF nog ver te zoeken is. Weet in elk geval dat het allemaal weer goedkomt. Het meeste vanzelf en andere dingen in de sportschool.

En jij?

Goed, je bevalling heb je overleefd, die kraamweek gaat voorbij en je lichaam is op een dag gewoon weer dat van jou. Maar één verandering is permanent; Je bent moeder geworden. Dat maakt je daadwerkelijk een ander mens dan je negen maanden geleden was. Veel vrouwen gaan er (onbewust) van uit dat hun leven min of meer hetzelfde blijft en dat ze die baby erbij zullen doen. Maar al gauw voel je een verminderde drang tot uitgaan, denk je langer na over je volgende stap in je loopbaan, loop je bij de H&M eerst naar de kinderafdeling en kijk je net wat beter uit op de fiets. Er is iets veranderd, je leven draait niet meer om jou. Het kan vervreemdend zijn te merken dat je de dingen die je vroeger leuk vond, ineens niet meer zo ziet zitten. Of dat je literatuur, politiek, kunst (…. vul maar in) ineens een beetje moeilijkdoenerij vindt. Echt, ook dit komt weer goed, maar je moet jezelf wel opnieuw uitvinden. Waak ondertussen voor de grootste valkuil van deze fase: Het afknippen van je haar! Het duurt langer om het weer te laten groeien dan om je nieuwe zelf te worden. Ondertussen loop je met vijf kilo teveel en een praktisch kapsel achter de kinderwagen en huil je bij elke etalageruit inwendig: ‘Oh mij God, ik ben een moeke!’

Heb ik je laten schrikken? Sorry, dat was niet mijn bedoeling. Het zijn gewoon de dingen die ik zelf graag had willen weten. Misschien was ik dan net iets minder overdonderd geweest.

Maar wat ik je zeker ook graag wil vertellen is dat dit alles uiteindelijk in het niet zal vallen bij de overweldigende, allesverzengende liefde, het plezier, de vrolijkheid, de schoonheid en de troost, de relativering en het geluk dat dit kleine mensje je zal brengen. Het is ‘the Love Supreme’ en de ultieme verbintenis tussen twee geliefden. Niks zal meer zijn als vroeger en dat is precies zoals het zijn moet.

Deze blog verscheen eerder in een persoonlijk tijdschrift dat een stel zeer creatieve vrouwen samenstelde voor hun gezamenlijke zwangere vriendin.