Het hoogst haalbare

De buurman was er één uit de categorie zonderling. Hij woonde er eerder dan ik. Geen idee hoe lang al, maar het zou weken duren voordat ik hem voor het eerst zag schuifelen. Ik kwam de trap op, drie hoog, en ik zag hem achterwaarts een vuilniszak naar buiten slepen. Een blauwverwassen joggingbroek hing slap om zijn magere benen, die licht gebogen een ruit maakten. Niemand heeft O-benen. Benen maken hoeken. Hij had het tegenovergestelde van billen. Een soort dubbele leegte waar bij andere mensen een bolling zit. Erboven droeg hij een overhemd met gele randjes aan de kraag en een zoutkring over de lengte van zijn rug.
Toen hij me hoorde, verstarde hij even en hij leek te hopen dat ik hem niet zou zien als hij maar lang genoeg stil bleef staan. Hij stonk. Denk ik. Of het was zijn vuilniszak. Een lucht die ik niet thuis kon brengen als zweet of adem of een intense opgekropte bitterheid die zich door poriën heen een weg naar buiten probeerde te wasemen. “Dag buurman”, zei ik, terwijl ik naast hem stond en mijn sleutel in het slot stak. Nog altijd voorovergebogen keek hij half achterom en lichtjes naar me op. Hij had een grijze baard die me deed denken aan die van meneer Griezel. Met dingetjes erin. Restjes van sardine, al had ik die er later misschien in verzonnen. “Murgh”, zei hij. Wat een beetje het midden hield tussen ‘Goedemorgen’ en ‘Teef, flikker op’.
Eenmaal binnen probeerde ik niet meer aan hem te denken, maar zijn geur leek zich in mijn neus vastgenesteld te hebben. Iets rots en verdrietigs. Een beetje muskusachtigs, maar dan alleen de muffe tonen. En aarde.
Toen ik een paar uur later weer naar buiten stapte, stond de vuilniszak nog altijd op de balustrade. De geur die ik net vervangen had door die van mijn eigen huis, prikte opnieuw in mijn neusgaten.
We woonden denk ik een jaar naast elkaar, maar zagen elkaar bijna nooit. Het waren zijn vuilniszakken die me eraan herinnerden dat ik een buurman had. Om de paar dagen een nieuwe, soms opgespaard tot drie of vier en dan weer een paar dagen niks.
Het was de tijd vóór internet. De voordeur was de enige poort tot intermenselijk contact, tot levensbehoeften en vermaak. Soms, als ik de buurman rook, vroeg ik me af wat hij de hele dag deed. Hij kwam zelden buiten en als hij geen afval zou produceren zou ik denken dat hij niet eens voedsel tot zich nam. Zou hij vrienden hebben? Familie? Was hij ooit getrouwd geweest? Had hij een huis vol boeken of een hobby waarmee hij zich de hele dag vermaakte? Schilderen op nummer. Of miniatuurveldslagen bouwen. Ik stelde me voor dat de buurman met een hoofdlamp en een verstelbare loep op een pootje, soldaatjes schilderde. Een harde “Murgh” als hij uitschoot en een geelgetande lach als hij weer een mooi glimmend kanonnetje in het mos kon zetten.
Ik overwoog nooit om aan te bellen. Hij liet in alles blijken geen contact te willen. Als ik naar buiten stapte terwijl hij net een vuilniszak zijn deur uit sleepte, glipte hij het liefst zo snel mogelijk zijn huis weer in. Bovendien was ik bang dat ik zou moeten kokhalzen als ik te lang in zijn treurstank moest staan.
In mijn badkamer zat een luik naar een vliering. Ik kwam er niet vaak. Had er dingen opgeslagen die ik al die tijd die ik er woonde nooit nodig had gehad. Soms zette ik er iets bij. Dan moest ik een laddertje pakken en mezelf met een doos in mijn armen door het luik wurmen zonder van de ladder te vallen. In het midden van de vliering kon je net staan, met je hoofd in de punt van het dak. Eén keer hoorde ik achter de muur iets schuiven. De buurman was op hetzelfde moment boven als ik. Hij kuchte en ik zag voor me hoe zijn hoest een zichtbare bruingroene walm door de ruimte verspreidde.
Op een dag kwam ik thuis met twee zware tassen vol boodschappen. Hijgend sjokte ik de trap op en met elke trede werd de geur van bittere buurman sterker. Ik probeerde niet diep in te ademen. De vuilniszakken stonden alweer een paar dagen, het waren er drie. Ik duwde mijn tong tegen mijn verhemelte en hield mijn lippen stijf op elkaar terwijl ik mijn sleutels in het slot stak. Zelfs binnen rook ik hem nog. Twee dagen later was het niet meer te doen. Die zakken moesten weg en ik deed wat ik nooit eerder had gedaan. Ik belde aan. Ik wachtte en belde nog een keer. Niemand. Het irriteerde me. Ik wist zeker dat hij thuis was.
Ik zou de politie bellen. Had het lang genoeg getolereerd. Ik zou zeggen hoe lang die zakken er al stonden en dus begon ik de dagen terug te tellen. Drie zakken, elke vier dagen een nieuwe… dat is dus minimaal 8 dagen sinds de eerste zak. Die derde staat er nu zeker een dag of 5, 6, dus laten we zeggen twee weken in totaal. Er trok een zwarte golf door mijn lijf. Plotseling dreunde mijn hart in mijn borstkas. Die laatste zak. Na de derde zak was er geen nieuwe bijgekomen.
Een paar uur later werd mijn buurman op een brancard zijn huis uit gedragen. In een hobbelige donkerblauwe Skai lederen zak. De luchten van vuilnis, ongewassen lichaam, eenzaamheid en dood waren zo naadloos in elkaar overgegaan dat ik de transitie van een levende buurman naar een dode niet had opgemerkt tot de geur van alles bij elkaar mij dwars door muren heen tot het inzicht bracht dat ik iemand helemaal alleen had laten sterven terwijl ik boos was om de lucht.
Het zou nog jaren duren voordat ik via via hoorde hoe de politie hem die dag had aangetroffen. Mijn buurman had een hobby. Het luik in de badkamer stond open en een laddertje leidde naar het epicentrum van mijn irritatie. De agent die als eerste naar boven klom had zijn mond en neus met één hand moeten bedekken terwijl de tranen in zijn ogen sprongen en hij zich met de andere vasthield. De vliering van de buurman was leeg op één rookstoel in het midden na. Tegen de wanden van het dak waren honderden uit pornoblaadjes gescheurde bladzijden geplakt. Een eclectisch behang van schuin over elkaar gelijmde borsten, billen, vagijnen en peni in onnoemelijk veel tinten bruin en roze. De rookstoel als spil in een analoge en perfect gepersonaliseerde Pornhub. De agenten vonden mijn buurman met een geelgetande lach op zijn gezicht en zijn joggingbroek om zijn enkels. De knokige knieën maakten een ruit van zijn witmagere benen. Ertussen, in zijn rechterhand lag de ultieme rigor mortis. Mijn buurman was op zijn hoogtepunt gestorven. Ik hoop dat hij gelukkig was.

Danser zonder benen

“Wat zijn wij voor wezens?” vroeg ze. Ik wist het niet. Alleen dat we konden huilen achter een koelkastdeur en er met taart en limonade weer achter vandaan konden komen.

We hadden het natuurlijk zelf gedaan. Met mannen die niet van ons waren, maar die ons ergens doorheen hielpen tot we verliefd of anderszins beschadigd raakten. Er is geen medelij voor buitenvrouwen. En dus leden we met elkaar en tilden elkaars maagstenen tot ze niet zo zwaar meer wogen. Schuldgevoel wordt lichter als je het kunt delen.

We waren niet trots op wat we deden en we wilden niemand pijn doen. Samen bouwden we zorgvuldig aan een waterdicht systeem waarin we hooguit zelf op onze bek konden gaan en de ander altijd klaar stond om je op te rapen.

Altijd was nu.

“Hij is dood, Babs” appte ik. “Ik weet niet wat ik moet.” Drie kwartier later zat ze op mijn bank. “Hartinfarct. Meer weet ik niet.” Behalve dat de rol van buitenvrouw de meest onbeduidende is als haar liefde iets overkomt. Niemand die je zegt even te gaan zitten voor het slechte nieuws, niemand die je adres op een rouwkaart schrijft, geen condoleance, geen koffie met cake en bovenal geen afscheid. Heb je niet verdiend. Besloten kring, geen bloemen. Godverdomme.

Zij had bloemen. “Ontrouw tot de dood ons scheidt. Liefs, Babs.” Ik viel in haar armen en huilde mijn lelijkste huil tot ik in slaap viel. De volgende ochtend stond ze eieren te bakken in mijn keuken en belde mijn baas dat ik ziek was. “Ik moet hem zien”, zei ik. “Te gevaarlijk”, zei ze. “Juist nu mag nooit meer iemand van jullie weten. Denk aan zijn vrouw.”

Ik heb nooit anders dan aan zijn vrouw gedacht. Die lief was en een goede moeder en knapper dan ik ook, maar waar hij op een of andere manier toch niet genoeg aan had. Ik heb nooit helemaal begrepen waarom niet. Wat mijn mannen allemaal gemeen hadden was dat ze geen slecht huwelijk hadden, mede doordat ik er was. Ik was alles wat ze misten en andersom kreeg ik precies wat ik nodig had. Lusten, niet de lasten en precies genoeg liefde om me staande te houden. Waarom ik het niet uithield met een man die alleen van mij was, geen idee. Oké, dat lieg ik. Ander verhaal.

Op de dag van zijn begrafenis haalde ze me op. “Ik wil niet naar buiten”, zei ik. “Ik wil in mijn pyjama zijn appjes lezen en aan mijn blouse ruiken. Hij zit er nog een beetje in.” Babs pakte zacht de blouse uit mijn handen en stopte hem in haar tas. “Douchen, stinkerd. We gaan wat leuks doen.” Met tegenzin, de grootste tegenzin, douchte ik mezelf voor het eerst in dagen. Gek hoe je tranen op je wangen kunt onderscheiden van warm water uit de kraan. Ik waste mijn haar en zij droogde me af. “Zwart ondergoed”, zei ze. En ik wist dat ze een plan had. Ik onderdrukte bij elk setje smeriglieve herinneringen tot ik die ene had waarvan hij had gezegd dat ik hem nooit voor een ander zou mogen dragen. Babs duwde een tasje in mijn handen. “Trek aan, lief. Dit is wie je bent vandaag.” In het vloeipapier een zwarte pencildress en zwarte pumps. Ik wou dat hij me erin had kunnen zien. Ik bekeek mezelf voor de spiegel en Babs kwam achter me staan. Ze draaide mijn haar omhoog en speldde het vast. Een hoed. Een hoed met voile. Ze zette hem schuin op mijn hoofd en trok het zwarte kant over mijn gezicht. Een weduwe. Een inktzwarte weduwe uit een slechte gangsterfilm.

Drie seconden kon ik door voor een vrouw die net de liefde van haar leven was verloren. Toen kreeg ik de slappe lach. “Kom, we gaan”, schaterde ze en achterop haar fiets reed ze me door de stad. Mensen keken ons na, een gierende vrouw in rouw en haar vriendin die met liefde de wind voor haar ving. We reden langs het restaurant waar ik voor het eerst koffie met hem had gedronken, langs de bioscoop waar we stiekem zoenden in het donker en door het park waar we bijna waren betrapt. En toen reden we naar zee. De wind kwam op, de tranen ook. “Ik kan niet zonder hem, Babs.” Ze pakte mijn blouse uit haar tas. Ik begroef mijn gezicht erin en snoof. Ik rook hem, wie hij was, wie hij nooit voor me had mogen worden, wat we deden en het eeuwige onraad. Toen liet ik los. Mijn blouse wapperde in de wind en vloog over de dijk, cirkelde als een danser zonder benen, raakte nog één keer de grond en verdween uiteindelijk uit het zicht. “Je hebt mij toch?” zei ze. Mijn enige ware die niet buitenecht was.

Later aan de wijn dacht ik aan haar vraag. Wat zijn wij voor wezens? Telkens weer het grootste verboden verdriet en altijd weer herrijzen. “Fabeldieren”, zei ik. Ze tikte haar glas tegen het mijne. “Fabeldieren.” En we dronken tot de wind ging liggen.

 

Harder dan de band

Binnenkomen. Gewoon binnenkomen, je jas uitgooien en een sigaret opsteken. Een beetje hangen tegen een pilaar en dan opkijken. Hij ziet je niet. De band is nog niet begonnen. Toch te vroeg van huis gegaan. Maar schoolfeest en een nieuwe broek en je vader stelde stomme vragen. Je All Stars plakken aan de vloer.

Shit, hij kijkt! Bijna lach je naar hem, maar net op tijd weet je weer dat je niet mooi genoeg bent. Je nieuwe broek, groen fluweel met wijde pijpen verandert daar niks aan. Je haalt je hand door je hanenkammetje. Die is goed gelukt vanavond, dat wel.

Vriendinnen. Gelukkig, vriendinnen. Het gegil van meisjes van 15. ‘Oooh, je broek!’ En: ‘Is ‘ie er?!’ ‘Kom, we gaan dansen.’

De avond vordert. Je danst. Eerst onwennig, dan zo mooi als je kunt en dan zonder na te denken. Moshpit. Ineens voel je dat hij kijkt. Zijn ogen op jou gericht, je weet het zeker. Je lacht gestileerd met je vriendinnen en draait met ingestudeerde achteloosheid zijn kant op. Hij kijkt niet. Hij had überhaupt niet gekeken.

Hij heeft zijn petje op vanavond.

De band is hard, jouw soort hard. Je wil zo dicht mogelijk bij de versterkers en de drums tegen je evenwichtsorgaan. Je vriendin tikt je aan. “Heb jij nog bierbonnen?!” schreeuwt ze. Andere tijden. Je ziet haar pogoënd richting bar vertrekken. Haar paardenstaart rockt net als zij. Je danst door. Je danst de hormonen uit je lijf. De demonen uit je lijf. En je vergeet dingen.

“Je zou best knap zijn als je niet zo wit was.”

“Je bent eigenlijk best wel dik.”

“Hoer.”

Je vriendin is nog steeds niet terug. Geeft niet. Je had toch geen zin in bier. Zou hij kijken? Je doet je rookroutine. Opsteken, inhaleren, uitblazen en opkijken. Hij staat niet meer bij zijn vrienden. Waar is ‘ie? Shit, zou hij al naar huis zijn? Ineens weet je zeker dat je vanavond met hem had durven praten. Je kijkt de aula rond. Niks. En waar blijft je vriendin?

Dan kijk je naast het podium. Visnetten met kerstlampjes erin fungeren als coulissen. Door het gaas heen zie je silhouetten. Vrienden van de bandleden. Roadies misschien. Een kussend stelletje. Wat moet het tof zijn om iemand te zijn die zoent op een schoolfeest. Hij heeft zijn hand op haar billen, zij kijkt naar hem op. Haar voorhoofd raakt zijn petje. Ze begint te lachen. Ze dansen samen. En dan komt de waarheid harder binnen dan de band. Haar paardenstaart rock net als zij.

Leer

Ze droeg haar bruidsschoenen weer
De eerste keer
na het jawoord
en negeerde hoeveel pijn ze deden.
Ze pasten bij haar bloes,
maar meer nog bij haar wuft die dag
en ze deed alles wat niet mag.
Ze dronk wijn en lachte om zijn grappen
en ze hoopte op een kus.
Dit was het dus
met iemand anders.
Terug naar huis op hoge hakken
zou de wuft haar in de schoenen zakken.
Ze zocht haar sleutels en een goede smoes,
maar vond alleen het laatste.
En terwijl ze haar vinger op de deurbel plaatste
bloedden haar voeten in het harde leer.

 

Deur

‘Wanneer zag je Jonas voor het eerst?’ Dokter Meijer kijkt over de rand van zijn bril op uit mijn dossier. Zijn groene ribbroek trekt op langs zijn over elkaar geslagen benen. Dunne witte mannenbenen in beige sokken. Dokter Meijer kucht.

‘Een maand of drie geleden’, zeg ik. ‘In de Stadsschouwburg.’ De dokter laat een stilte vallen. ‘Ik zat in de zaal en hij op het balkon. Vlak voor het licht uitging lachten we naar elkaar. In de pauze kwam hij naar me toe om te zeggen hoe jammer hij het vond dat de voorstelling begon.’

‘Was je alleen?’ Ik knik. ‘Doe je dat vaak, in je eentje uitgaan?’ Ik weet nu al waar dit gesprek naartoe gaat. Voorheen ging ik natuurlijk met Rik. Maar Rik is verliefd geworden op die hoeresloer van Bodypump. De ploert. ‘Nee’, zeg ik. Opnieuw die ‘gestaltige’ stilte. ‘Ik ging altijd met mijn ex. De kaarten had ik al voordat het uitging en uiteindelijk besloot ik alleen te gaan. Was wel een soort overwinning.’ Voor de grap span ik mijn spierballen. ‘Ik heb geen kerel nodig!’

‘En toch werd je die avond verliefd op Jonas…’ Ik laat mijn armen zakken. Wat dokter Meijer bedoelt is dat ik Jonas die avond heb gecreëerd om de lege stoel naast me te compenseren. Maar dat zegt hij niet. ‘Tja, de liefde kun je niet sturen hè’, gooi ik er lafjes tegenaan.

‘Lene, weet je waarom je hier bent?’ Ja, dat weet ik. Afgelopen zondag heb ik mijn ouders over Jonas verteld. Dat hij onzichtbaar is enzo, en dat ik eigenlijk de enige ben die hem kan zien. Nou had ik heus niet verwacht dat mijn ouders het meteen zouden snappen. Dat zou pas echt gek zijn. Maar ik had op zijn minst gehoopt dat ze het zouden proberen. Helaas, mijn moeder begon eigenlijk meteen te huilen en mijn vader begon te Googlen op ‘crisislijn’. Dezelfde middag zat ik hier.

Ik zeg: ‘Mijn ouders denken dat ik waanbeelden heb.’ ‘En wat denk jij?’ vraagt dokter Meijer. Nou, niet natuurlijk. ‘Ik denk… eeh…wéét dat er mensen zijn die door niemand worden gezien.’ Ik probeer dokter Meijer uit te leggen dat iedereen onzichtbaar kan worden. Als je maar voldoende genegeerd wordt, er niet mag zijn als het ware, verdwijn je vanzelf. Zou hij toch interessant moeten vinden. ‘Er zijn heel veel mensen die onzichtbaar zijn’, vertel ik, ‘alleen…. tja, dat ziet niemand dus.’ ‘Jij wel’, zegt dokter Meijer. Ja, ik wel.

Jonas vertelde me al gauw dat alleen ik hem zag. Dat hij zo verbaasd was geweest toen ik teruglachte die avond. Het verwarde me. Eigenlijk dacht ik zelf ook wel even dat ik gek was geworden. Maar Jonas was mooi en lief en grappig en uiteindelijk beseften we dat het gewoon voorbestemd moest zijn. De onzichtbare man en de vrouw die oog voor hem had.

Er brak een bizarre tijd aan. Zo verliefd, maar alles in het verborgene. Al die keren dat mijn vriendinnen vroegen of ik soms iemand had ontmoet. Ze zagen me zo weinig en ik was steeds zo vrolijk. Ik kon het wel uitschreeuwen: ‘Ik heb de leukste man ter wereld ontmoet!!’ maar hield mijn mond. Ze zouden hem willen leren kennen, of tenminste willen weten wat voor werk hij deed. Wat zeg je dan? Mijn vriend voorziet in zijn eerste levensbehoeften binnen een netwerk van andere onzichtbaren? Laat maar.

We bleven gewoon veel in mijn huis- en slaapkamer. Uren praten, lachen, lezen, vrijen. Eigenlijk had dat genoeg moeten zijn. Maar die stomme neiging van me om altijd maar alles uit te moeten spreken, leidde uiteindelijk tot het gesprek met mijn ouders afgelopen zondag.

‘We willen je graag een tijdje hier houden’, zegt dokter Meijer. ‘Je krijgt medicijnen die je helpen alles weer even op een rijtje te krijgen.’ Mooi gezegd dokter. Ze heeft ze duidelijk niet allemaal op een rijtje.

Ik word teruggebracht naar ‘mijn kamer’. Het is een soort mini-studentenkamer. Een bed, een bureau, een kast en een raam dat de illusie lijkt te willen wekken dat je hier op elk gewenst moment naar buiten kan stappen. Maar het raam kan niet open en is van hard onbreekbaar plastic.

Ik mag bellen. ‘Jonas?’ ‘Liefie, waar zit je!?’ Ik zeg hem dat ik ben opgenomen. ‘Je ouders?’ ‘Ja.’ Hij zucht. ‘En nu?’ ‘Ik moet hier blijven en medicijnen slikken tot je weg bent.’ Ik schrik van mijn eigen woorden. Wat nou als ik me vergis? Wat als Jonas inderdaad niet echt is en verdwijnt als ik die pillen slik. ‘Liefje. Ik wil je niet kwijt.’ zeg ik.

Voor de plastic glazen deur van het telefoonhok verschijnt een meisje. Ze kauwt op haar haar en tekent met de natte pluk op het raam. Duidelijk zo gek als een deur. ‘Ik mag nu bellen’, zegt ze. ‘Ik moet ophangen, Jonas. Ik hou van je.’ ‘Het komt allemaal goed’, antwoordt hij.

Die nacht droom ik van Jonas. Hij is boos op me. Vindt dat ik te weinig weerstand heb geboden tegen mijn opname en de medicijnen. Hij zegt dat ik hem verloochen. Als hij tegen me schreeuwt dat hij me nooit meer wil zien, vallen er gaten in mijn lijf. Ik besef dat ik onzichtbaar word en schrik wakker.

Jonas zit op mijn bed. Oké, het is officieel, ik ben gek! Hij kan hier niet echt zijn. Voordat ik wat kan zeggen, brengt hij zijn vinger naar zijn lippen. ‘Ssst. Ik kom je halen.’ ‘Maar…eeh, wat?’ ‘Onzichtbaarheid heeft ook zijn voordelen, Lene. Ik ben met een nachtverpleegkundige naar binnen gekomen. Toen ze televisie zaten te kijken kon ik vrij gemakkelijk de sleutels pakken.’ Dan kijkt hij me indringend aan. ‘Onze liefde kan hier niet meer bestaan. Zodra je maar de indruk zou wekken dat je me nog zag, zou je weer opgesloten worden. Laten we samen weggaan. We zien wel waarheen, als ze jou er maar niet kennen.’ Ik knik, weet meteen dat dit onze enige kans is.

Jonas gaat voor. Hij kijkt om de hoek van de deur en gebaart me mee te komen. Samen sluipen we door de donkere stille gang. Ik ben nog nooit zo bang geweest. Dan verschijnt plotseling een hoofd achter het raam van één van de kamerdeuren. Het is het meisje dat op haar haar kauwt. Godver, shit, we zijn erbij! Er verschijnt een grote grijns op haar gezicht. Knikt ze nou naar Jonas? Ze draait zich om en verdwijnt in het donker.

Aan het eind van de gang kijkt Jonas weer eerst om de hoek. De zusterpost en dan de deur naar buiten. Ik moet mijn hand voor mijn mond slaan om de angstige klank in mijn keel te onderdrukken. Jonas glimlacht geruststellend en fluistert me toe: ‘Ik ga eerst en zet de deur op een kier. Als ik dat zacht doe, hoort niemand het. Dan kom jij. Op het moment dat je bij de deur bent en hem verder open doet, moet je snel zijn. Zodra ze dat door hebben, breekt de pleuris uit.’

Ik word bijna niet goed. Sta ik hier toch eigenlijk min of meer in mijn eentje in mijn nachtpon op de gang van een gesloten inrichting. Wat moet ik doen als iemand me nu ziet? Jonas begint te lopen. Achter de ruggen van de TV-kijkende verpleegkundigen langs, naar de deur. Hij steekt de sleutel in het slot en draait zachtjes, heel zachtjes het slot open. De klik die dat teweeg brengt klinkt in deze angstige stilte als een donderslag, maar niemand kijkt op. Jonas wenkt me. In gedachte begin ik terug te tellen van drie naar één, maar bij twee lijkt het plotseling het goede moment. Ik ren op mijn tenen naar de deur. Yes! Nu een klein stukje verder open… Ik sta buiten. Onder het afdakje staan we even stil en kijken elkaar lachend aan. ‘Nu!, zegt hij. Ik zet mijn linkervoet in de sneeuw en begin te rennen.