Verlengde

Er zijn jongetjes die alles anders maken.
Ze zitten gewoon op je bank
en drinken stiekem van je thee.
Je wil vooral dat ze zich niet branden
aan verkeerde vrienden
en meisjes die van lieverlee
hun intrede zullen doen.
Ze lopen met hun vieze voeten
over je tapijt,
halen bloed onder je nagels.
Raken je sleutels kwijt
en hun zachte wangen
(die je tevergeefs zal blijven strelen
tot ze vierkant zijn
en stoppelig als die van hun vader).
Ze lagen altijd al
in jouw verlengde,
lang voordat ze hun plek opeisten
in je hoofd, je hart, je schoot.
Je bed ook,
waarin je op het randje ligt
en alleen je arm slaapt.
Ze hebben vragen die je zelf nooit stelde
en waarvan niemand je vertelde
dat ze konden komen.
Wat erger is bijvoorbeeld,
onthoofd of toch ontvoerd,
of je jezelf een ander mens kan dromen
en of ik niet liever een meisje…
(Nee.)
Er zijn jongetjes die alles anders maken.
Van twee
ervan
werd ik moeder
dan ik dacht te kunnen zijn.

Rouwpost

Er zat een hoge dichtheid
in de vrouw die aan mijn deur kwam.
Die mond, die lach, die krullen.
Ze verkocht kaarten voor het goede doel
en ik was haar niet vergeten.
Vorig jaar nam ik er al een paar,
maar had ze eigenlijk nooit gebruikt.

Haar lach verstilde
en brokkelde in stukken op mijn stoep.
“Ik was hier niet.
Niet eerder dan vandaag.”

Haar zusje

was na haar vakantie
in eeuwige rust gebleven
en in een laadruim teruggekeerd.
“Daarom loop ik nu haar kaarten.
Om iets van haar te houden.”

Nu liggen in mijn la dus
twee setjes
waar ik nooit iets mee zal doen.
“Dank u.
Voor uw gift enzo”, zei ze.
Enzo was denk ik
dat ik haar zusje had bewaard.

Hoogste tijd

Gisterenavond dacht ik
dat ik Harry Mulisch zag
fietsen in een ribcord broek.
Bij elke trap een stukje enkel bloot
en zijn haar verwilderd door de elementen.
Ik weet heus wel dat het aan mijn ogen lag
(en misschien het zwarte licht).
Mul isch al een tijdje dood.
Maar misschien dat hij in mij
ook een schrijver had herkend en
vandaag over mij dicht.

Aan me dacht

Soms kan ik niet bij je.
Dan ketsen mijn grappen
terug in mijn gezicht
en lach ik veel te hard om mij.
Dan mag ik niet op je lijf,
want net gegeten
of net vergeten
hoe het moet.
Aandacht bedoel ik.
Soms troost ik mij
door heel hard tegen je aan te ontvangen.
Het is niet een voortdurend verlangen,
maar meer iets dat terugkeert
als ik op mijn graagst ben,
op mijn vraagt ben
en jij juist dan geen antwoord geeft.
Mag ik een klinker kopen?
Ik kom er zelf wel uit.
Hoef je niks te zeggen,
alleen je hand hier neer te leggen
en mijn haar zo’n beetje
weg te strijken.
Naar me kijken
zoals anderen.
Niet veranderen,
dat vraag ik niet.
Je stugheid is me lief.
Maar soms kan ik niet bij je.
Dan geef ik mezelf weg
op plekken waar aan me wordt gedacht,
waar iemand op me wacht
en jij afvraagt waar ik blijf.

Danser zonder benen

“Wat zijn wij voor wezens?” vroeg ze. Ik wist het niet. Alleen dat we konden huilen achter een koelkastdeur en er met taart en limonade weer achter vandaan konden komen.

We hadden het natuurlijk zelf gedaan. Met mannen die niet van ons waren, maar die ons ergens doorheen hielpen tot we verliefd of anderszins beschadigd raakten. Er is geen medelij voor buitenvrouwen. En dus leden we met elkaar en tilden elkaars maagstenen tot ze niet zo zwaar meer wogen. Schuldgevoel wordt lichter als je het kunt delen.

We waren niet trots op wat we deden en we wilden niemand pijn doen. Samen bouwden we zorgvuldig aan een waterdicht systeem waarin we hooguit zelf op onze bek konden gaan en de ander altijd klaar stond om je op te rapen.

Altijd was nu.

“Hij is dood, Babs” appte ik. “Ik weet niet wat ik moet.” Drie kwartier later zat ze op mijn bank. “Hartinfarct. Meer weet ik niet.” Behalve dat de rol van buitenvrouw de meest onbeduidende is als haar liefde iets overkomt. Niemand die je zegt even te gaan zitten voor het slechte nieuws, niemand die je adres op een rouwkaart schrijft, geen condoleance, geen koffie met cake en bovenal geen afscheid. Heb je niet verdiend. Besloten kring, geen bloemen. Godverdomme.

Zij had bloemen. “Ontrouw tot de dood ons scheidt. Liefs, Babs.” Ik viel in haar armen en huilde mijn lelijkste huil tot ik in slaap viel. De volgende ochtend stond ze eieren te bakken in mijn keuken en belde mijn baas dat ik ziek was. “Ik moet hem zien”, zei ik. “Te gevaarlijk”, zei ze. “Juist nu mag nooit meer iemand van jullie weten. Denk aan zijn vrouw.”

Ik heb nooit anders dan aan zijn vrouw gedacht. Die lief was en een goede moeder en knapper dan ik ook, maar waar hij op een of andere manier toch niet genoeg aan had. Ik heb nooit helemaal begrepen waarom niet. Wat mijn mannen allemaal gemeen hadden was dat ze geen slecht huwelijk hadden, mede doordat ik er was. Ik was alles wat ze misten en andersom kreeg ik precies wat ik nodig had. Lusten, niet de lasten en precies genoeg liefde om me staande te houden. Waarom ik het niet uithield met een man die alleen van mij was, geen idee. Oké, dat lieg ik. Ander verhaal.

Op de dag van zijn begrafenis haalde ze me op. “Ik wil niet naar buiten”, zei ik. “Ik wil in mijn pyjama zijn appjes lezen en aan mijn blouse ruiken. Hij zit er nog een beetje in.” Babs pakte zacht de blouse uit mijn handen en stopte hem in haar tas. “Douchen, stinkerd. We gaan wat leuks doen.” Met tegenzin, de grootste tegenzin, douchte ik mezelf voor het eerst in dagen. Gek hoe je tranen op je wangen kunt onderscheiden van warm water uit de kraan. Ik waste mijn haar en zij droogde me af. “Zwart ondergoed”, zei ze. En ik wist dat ze een plan had. Ik onderdrukte bij elk setje smeriglieve herinneringen tot ik die ene had waarvan hij had gezegd dat ik hem nooit voor een ander zou mogen dragen. Babs duwde een tasje in mijn handen. “Trek aan, lief. Dit is wie je bent vandaag.” In het vloeipapier een zwarte pencildress en zwarte pumps. Ik wou dat hij me erin had kunnen zien. Ik bekeek mezelf voor de spiegel en Babs kwam achter me staan. Ze draaide mijn haar omhoog en speldde het vast. Een hoed. Een hoed met voile. Ze zette hem schuin op mijn hoofd en trok het zwarte kant over mijn gezicht. Een weduwe. Een inktzwarte weduwe uit een slechte gangsterfilm.

Drie seconden kon ik door voor een vrouw die net de liefde van haar leven was verloren. Toen kreeg ik de slappe lach. “Kom, we gaan”, schaterde ze en achterop haar fiets reed ze me door de stad. Mensen keken ons na, een gierende vrouw in rouw en haar vriendin die met liefde de wind voor haar ving. We reden langs het restaurant waar ik voor het eerst koffie met hem had gedronken, langs de bioscoop waar we stiekem zoenden in het donker en door het park waar we bijna waren betrapt. En toen reden we naar zee. De wind kwam op, de tranen ook. “Ik kan niet zonder hem, Babs.” Ze pakte mijn blouse uit haar tas. Ik begroef mijn gezicht erin en snoof. Ik rook hem, wie hij was, wie hij nooit voor me had mogen worden, wat we deden en het eeuwige onraad. Toen liet ik los. Mijn blouse wapperde in de wind en vloog over de dijk, cirkelde als een danser zonder benen, raakte nog één keer de grond en verdween uiteindelijk uit het zicht. “Je hebt mij toch?” zei ze. Mijn enige ware die niet buitenecht was.

Later aan de wijn dacht ik aan haar vraag. Wat zijn wij voor wezens? Telkens weer het grootste verboden verdriet en altijd weer herrijzen. “Fabeldieren”, zei ik. Ze tikte haar glas tegen het mijne. “Fabeldieren.” En we dronken tot de wind ging liggen.

 

Plek

Ze vroeg me naar mijn allerliefste plek.
Ik dacht aan haar nek
en hoe die overging in hals en schouders.
Mijn jukbeen, haar sleutelbeen.
En hoe ik me door haar haar
een weg zou willen banen.
Maar dat zei ik niet.
Ik zei Toscane.

Vrouw van naam

Er was een vrouw
die bang was te vergeten,
haar naam niet meer te weten
en wie ze liefde.
Wie ze lust
en wie gekust
of hoe het leven werkt.
Er bleef een vrouw onopgemerkt
en de tijd begon te dringen
als een man met geldingsdrank.
Er was een vrouw
die desondanks
herinnering wilde maken,
vrienden
en een naam het liefst.
Voor als ze de vaardigheid verliest,
haar waardigheid verliest
en verloren zou geraken,
maar dan hooguit
in haar eigen hoofd.
Zichzelf de eeuwigheid beloofd.
Nooit worden vergeten.
Ik zal heten.

Influencer

Ze is zo’n vrouw die haar jasje
over haar schouders draagt
zonder dat hij afglijdt.
Handen uit de mouwen,
maar dan aan de verkeerde kant.
Nooit haar clutch kwijt
of haar koffie om te gaan.
(#geenfilter.)

Zo veel schoenen opgestuurd gekregen
dat ze ernaast ging lopen.
Maar dat zou ik ook doen
als ik in haar Manolo’s stond.
Haar ronde kont
zo gedraaid
dat we ook haar ogen kunnen zien.
En dat haar wimperserum werkt.
Ongemerkt,
want ze maakt geen reclame.

Ze ontbijt met frambozen
in een gratis bed
en haar borsten zijn toevallig.
Maar als ik bevallig
jam op mijn tieten van mijn boterham,
dan mag dat niet op Instagram,
want dat wil niemand. Zien.

Ze is een virus
dat leugens verspreidt
over wat we moeten willen.
Haar over een gegeven paard heen tillen
en dat übercute shirtje van Chloé.
Het staat haar ook nog, Godverdé.
Misschien als ik afval
en mijn salaris is gestort,
dat ik ook zoiets zou kunnen dragen.
Zo quasi in mijn high waist jeans,
een French tuck
en mijn haar in lagen.
Zoals zij.

Maar dan natuurlijk in mijn eigen stijl.