Best druk in je eentje

Dus vandaag schreef ik drie brieven,
geschiedenis
en een oude kennis af.
Ik maakte schoon – huis en schip –
en ik versloeg, behalve draken,
een rugbywedstrijd op de BBC.
Ik deed nog een dutje
en een dansje
en wat God me had verboden.
Daarna gaf ik een lezing
over Kwantumtheorie,
waarin ik de hypothese
‘daar woon je beter van’,
van tafel veegde
door het prul met één karateklap
doormidden te slaan.
Ik haalde mijn zwarte band
en mijn hart op aan een kabeltrui,
waarna ik lunchte met gekonfijte eend,
wijn en dadels
en mijn allerbeste vriend.
Ik schonk hem aandacht en zijn glas vol
en haalde daarna mijn kinderen van school.
Ze moesten nog naar vliegles
en naar Kintsugi,
dus ik kon mooi een boodschap doen
voordat mijn minnaar kwam,
net als ik.
Ik waste de lakens en mijn handen
in onschuld en een scheutje bleek
voor extra wit en natuurlijk voor de buurvrouw,
die het liefst mijn vuile was zou zien.
Daarna draaide ik pasta
en een heel klein beetje door,
maar ik verwerkte mijn bitter in de pudding,
dus dat kwam mooi van pas.
De kinderen naar bed gebracht,
bood ik mijn man het hoofd,
waarmee ik ook hem
van mijn to do kon strepen
en ik eindelijk foto’s in kon plakken
van de geboorte van de vijfde.
Daarna viel ik in slaap,
in verwondering
en in brokken uiteen.
Ik moest alleen nog maar,
maar dat was echt het allerlaatste,
blijven dromen.
Want anders kon je net zo goed
niks meer doen.

Lellebel

“Eeuwig zonde”,
zei de mannenbroeder
en ik wou dat hij gelijk had.
Dat ik het rijk had
om voorgoed onkuis te zijn.
Tot laat van huis te zijn
met oproerkraaiers
en schorriemorrie.
Nooit meer sorry
voor mij liefste vuiligheid.
Branden in de eeuwigheid,
maar alleen onder mijn rokje.
Kus ik je verkering naar de nering
en vergeet ze hoe je heet.
Ik ben een helleveeg, een loeder.
Ik lellebel je moeder
tot ze komt.
Ik dans op barren
en op graven,
zuchtdoorlatend
in mijn niemendal.
Als ik van mijn voetstuk val,
land ik zacht in iemands bed.
Het is een eindeloos gebed
en een onmogelijke biecht.
Zeg ik: “Vergeef me vader,
want ik heb zo’n zin.
Heeft ú nog een vriendin?”
En ik grijns.
Ren nog vóór het zingen de kerk uit
voor een nafeest in de stad,
met tapijtplekken op mijn knieën
waar ooit mijn boete zat.

Voor

Ik heb je gemist,
niet daarnet hoor,
maar eerder,
voordat ik wist
wie je was en waar je.
Ik heb je gezocht.
Ik mocht je al
voor ik je vasthield
en ik hield van je,
voordat het mocht.
Ik heb je gevonden
en ik vond je
nog meer dan ik dacht.
Heb op je gewacht
tot je hier was.
en ik zie nu pas
hoe lang ik al zonder.

Ciara

Ze had het recht op een naam verworven,
als haar losgeslagen zusters.
Verwend rotwind als je het mij vraagt.
Opwaaiend lurex en rondvliegend strass.
Het ene moment speelt ze zachtjes met je haar,
het volgende neemt ze je vriendje mee.
Op Faceboek raast het,
ze maakt alles kapot.
Maar aan je voordeur zucht ze slechts
om al die heisa
en trapt een keer tegen je vuilnisbak.

Ladder in mijn panty

Als ik hier ga staan,
zo in de zon,
midden op het plein,
zou je me dan zien?
Wacht, ik klim op een ladder
in mijn panty en een rode jurk
en dan roep ik je.
Hoor je?
Ik steek een fakkel aan,
zo één voor noodgevallen
– dit is er één –
en dan zwaai ik.
Ik ga op één been staan
op mijn hoge hakken
op het laddertje
op de kinderkopjes
op het plein
en dan wiebel ik.
Er beginnen mensen te roepen
dat ik op moet passen.
Een vrouw gilt,
misschien ben ik het.
Ik verlies mijn evenwicht
en mijn waardigheid
als mijn haar vlam vat
en ik voorover
de trap afdaal.
Ik heb niks dan klinkers in mijn mond
als ik opkijk
en nog net zie hoe mooi
je jas over je schouders hangt.
Gelukkig, je hebt me niet gezien.

Nagelbom

Je hebt de taal om een land te veranderen, zong ze,
en toch slik je je woorden in.
Lettervretend, zinnen prikkelend op je tong
en je proeft je onbekwaamheid.
Maar in je buik groeit een Frans gemanicuurde nagelbom
van ongeschreven regels en verzwegen vrouwenpraat.
Op een dag, een prachtige dag, gaat ‘ie af
en blaas je iedereen omver.

 

Nagelbom is geschreven voor het Great Granate Gala voor de vrouwelijke dichter, dat plaatsvindt op 15 maart 2020. Daar dragen 85 vrouwelijke dichters een kort gedicht voor bij het thema ‘Spijkers op het woord’, een verwijzing naar het 85e boekenweekthema Rebellen en Dwarsdenkers.

Kluwen

Het hart vol,
de mond over,
loop ik samen met omstandigheden,
gesloten.
Twaalf gedachten, drie gedichten,
onafgemaakt,
en een liedje in mijn hoofd.

Het verschil tussen gelul
en geluk zit in een heel klein <
(hoekje, ja.)
Zebra’s zijn paarden in een kekke jas.

Op plekken tegelijk
en toch te aanwezig,
lach ik om mijn eigen grappen
tot ik omval.
Keihard omval.
Aandacht trekken noem je dat,
maar dat zou jij ook doen
als het jouwe constant zoek was.

Niet vergeten sla te halen.
Het is nu half 3.
Ik verlies je.
Als je glas altijd halfvol is,
zit de rest waarschijnlijk in je bloed.
Maar waar was ik?

Het hart vol,
de mond over.
Een hoofd met 100 lijnen
die nog niemand had gezien.
Ik beloof je,
mijn omwegen
zijn altijd beter dan het doel,
zolang ik de kluwen kan ontwarren.
Met een beetje geluk,
verdwalen we slechts
(in een heel klein hoekje).

1999

“Gecondoleerd, Yanaik!” Iemand schreeuwde in mijn oor. “En een gelukkig nieuwjaar!” Hij trok me in een knuffel, terwijl ik probeerde een antwoord te vormen dat recht deed aan de situatie.

“Kutzooi is het!”

“Wat?!”

Hij liet me los om me aan te kunnen kijken. Ik glimlachte en articuleerde beter: “Jij ook de beste wensen.” Uit de boxen schalde Prince.

Ik was die avond de stad ingegaan omdat het jaar 2000 was begonnen. Het jaar waar in de jaren ’80 al wasmachines en handmixers naar waren vernoemd. Niets zei higher tech dan de toevoeging van het getal 2000. Het jaar waarin we minimaal vliegende auto’s hadden verwacht en de mogelijkheid elkaar te videobellen. Het jaar dat vooruitgang beloofde en nieuwe kansen, mits onze computers het niet zouden begeven door een beestje dat nooit geleerd had wat er na ’99 zou zijn. Ik had mijn hele leven een voorstelling gemaakt van een feestende menigte en wildvreemden die elkaar omhelsden op straat omdat er een nieuw jaar, nee nieuw millennium was begonnen en wij de gelukkigen waren die erbij mochten zijn.

Er wás een menigte en mensen kusten elkaar. Ze dansten in dronkenmansliefde en wie vóór zonsopgang zijn bed opzocht was een ouwe lul. Een meisje met een glitterdiadeem 2000, kotste in een boog haar champagne uit en het leek op een confettikanon. “Gecondoleerd, Yanaik!”

Ik was 20 en had net mijn ouderlijk huis verlaten om te gaan studeren in een grote stad. Het idee was dat ze mij langzaam los zouden laten, veel langzamer dan ik hen en dat ik mezelf dan volwassen zou achten, maar stiekem nog enorm op ze zou leunen. Want zo gaat dat. Ik zou thuiskomen in de weekenden, met wasgoed en verhalen en ’s avonds op de bank tegen mijn vader aan kruipen. “Even naar voren, floeperd”, zou hij zeggen, om zijn trui omhoog te doen en zijn Parkerpen uit het borstzakje van zijn overhemd te halen. Zo vielen er geen gewonden.

In werkelijkheid had ik een week eerder voor het laatst tegen hem aan gelegen. Op een bed in de huiskamer, mijn oor tegen zijn borst. Geen Parkerpen, tricot pyjama’s hebben geen zakken. Onder zijn ribben kraakten zijn longen en het geluid nestelde zich voorgoed in mijn brein. Net als zijn ziekgeur en zijn vermagerde lijf. Knieën breder dan bovenbenen. Zijn wangen en ogen in negatief op zijn gezicht en z’n tanden te groot voor een mond die niet meer lachen kon. Bij de laatste keer op de weegschaal was mijn vader 45 kilo, twee kilo zwaarder dan de keer daarvoor. Het was zijn tumor die inmiddels harder groeide dan het vet verdween. Het was kerst 1999 en ik zong liedjes voor mijn vader die een pijnlijke dood stierf in de aanwezigheid van zijn vrouw en kinderen. Doodsangst. Mijn vader zag dingen, door de morfine of door het einde zelf, die hem bang maakten. Maar toen hij “halen” zei, wist ik dat hij er klaar voor was. “Wil je dat ze je halen?” vroeg ik. Hij knikte. “Ik hou van je, papa.” Mijn vader gebaarde met zijn hand wat hij niet kon zeggen en nam met één traan afscheid van ons. Ik zou voorgoed de winnaar zijn in de jaarlijkse kersthekelcompetitie. Dat dan weer wel.

Ik had de daaropvolgende oudejaarsdag gesproken op zijn uitvaart in een overvolle kerk. Over een lieveheerbeest, dat ik op de dag van zijn dood in de gang gevonden had. Mijn eigen millenniumbug, besefte ik later. De wereld ging door, terwijl ik krakend vastliep. In één klap volwassen en eeuwig een meisje zonder vader.

“Gecondoleerd, Yanaik!”

Misschien krijg ik spijt als ik niet de stad inga, dacht ik. Misschien kan een goed feest een nieuw begin markeren. Misschien kan ik het van me afschudden. Zijn zieke lichaam. De scheur in mijn binnenste. Dat ik nooit meer floeperd heet.

“Jij ook de beste wensen.” Uit de boxen schalde Prince en hij riep ons op om te feesten, om te dansen alsof het elk moment afgelopen kon zijn. Boy, was he right. Ik maakte me los uit de omhelzing en baande me een weg door de menigte. Iemand pakte mijn arm en gilde: “Gelukkig nieuwjaar!” Anderen staakten het feestgedruis om hun onvermogen te verbergen met meelevende blikken. Ik voelde ze branden in mijn rug en sloot mijn ogen. “Two thousand zero zero”, zong de prins. Ik wilde zweten. Ik wilde vergeten met mijn armen in de lucht. Eén liedje maar.

Mijn vader is nu twintig jaar dood. De helft van mijn leven. Ik voltooide mijn studie, kreeg kinderen, kocht huizen, kan leven van zijn taalgevoel en trouwde met de man die toen al mijn vriendje was. Ik werd weer gelukkig en hij zou trots op me zijn. Alleen december is lastig en met oud en nieuw moet ik dansen. Afschudden. Elk jaar een beetje minder rouw, maar nog altijd met mijn armen in de lucht. Zweten en vergeten. Eén liedje maar. Like it’s 1999.

Het hoogst haalbare

De buurman was er één uit de categorie zonderling. Hij woonde er eerder dan ik. Geen idee hoe lang al, maar het zou weken duren voordat ik hem voor het eerst zag schuifelen. Ik kwam de trap op, drie hoog, en ik zag hem achterwaarts een vuilniszak naar buiten slepen. Een blauwverwassen joggingbroek hing slap om zijn magere benen, die licht gebogen een ruit maakten. Niemand heeft O-benen. Benen maken hoeken. Hij had het tegenovergestelde van billen. Een soort dubbele leegte waar bij andere mensen een bolling zit. Erboven droeg hij een overhemd met gele randjes aan de kraag en een zoutkring over de lengte van zijn rug.
Toen hij me hoorde, verstarde hij even en hij leek te hopen dat ik hem niet zou zien als hij maar lang genoeg stil bleef staan. Hij stonk. Denk ik. Of het was zijn vuilniszak. Een lucht die ik niet thuis kon brengen als zweet of adem of een intense opgekropte bitterheid die zich door poriën heen een weg naar buiten probeerde te wasemen. “Dag buurman”, zei ik, terwijl ik naast hem stond en mijn sleutel in het slot stak. Nog altijd voorovergebogen keek hij half achterom en lichtjes naar me op. Hij had een grijze baard die me deed denken aan die van meneer Griezel. Met dingetjes erin. Restjes van sardine, al had ik die er later misschien in verzonnen. “Murgh”, zei hij. Wat een beetje het midden hield tussen ‘Goedemorgen’ en ‘Teef, flikker op’.
Eenmaal binnen probeerde ik niet meer aan hem te denken, maar zijn geur leek zich in mijn neus vastgenesteld te hebben. Iets rots en verdrietigs. Een beetje muskusachtigs, maar dan alleen de muffe tonen. En aarde.
Toen ik een paar uur later weer naar buiten stapte, stond de vuilniszak nog altijd op de balustrade. De geur die ik net vervangen had door die van mijn eigen huis, prikte opnieuw in mijn neusgaten.
We woonden denk ik een jaar naast elkaar, maar zagen elkaar bijna nooit. Het waren zijn vuilniszakken die me eraan herinnerden dat ik een buurman had. Om de paar dagen een nieuwe, soms opgespaard tot drie of vier en dan weer een paar dagen niks.
Het was de tijd vóór internet. De voordeur was de enige poort tot intermenselijk contact, tot levensbehoeften en vermaak. Soms, als ik de buurman rook, vroeg ik me af wat hij de hele dag deed. Hij kwam zelden buiten en als hij geen afval zou produceren zou ik denken dat hij niet eens voedsel tot zich nam. Zou hij vrienden hebben? Familie? Was hij ooit getrouwd geweest? Had hij een huis vol boeken of een hobby waarmee hij zich de hele dag vermaakte? Schilderen op nummer. Of miniatuurveldslagen bouwen. Ik stelde me voor dat de buurman met een hoofdlamp en een verstelbare loep op een pootje, soldaatjes schilderde. Een harde “Murgh” als hij uitschoot en een geelgetande lach als hij weer een mooi glimmend kanonnetje in het mos kon zetten.
Ik overwoog nooit om aan te bellen. Hij liet in alles blijken geen contact te willen. Als ik naar buiten stapte terwijl hij net een vuilniszak zijn deur uit sleepte, glipte hij het liefst zo snel mogelijk zijn huis weer in. Bovendien was ik bang dat ik zou moeten kokhalzen als ik te lang in zijn treurstank moest staan.
In mijn badkamer zat een luik naar een vliering. Ik kwam er niet vaak. Had er dingen opgeslagen die ik al die tijd die ik er woonde nooit nodig had gehad. Soms zette ik er iets bij. Dan moest ik een laddertje pakken en mezelf met een doos in mijn armen door het luik wurmen zonder van de ladder te vallen. In het midden van de vliering kon je net staan, met je hoofd in de punt van het dak. Eén keer hoorde ik achter de muur iets schuiven. De buurman was op hetzelfde moment boven als ik. Hij kuchte en ik zag voor me hoe zijn hoest een zichtbare bruingroene walm door de ruimte verspreidde.
Op een dag kwam ik thuis met twee zware tassen vol boodschappen. Hijgend sjokte ik de trap op en met elke trede werd de geur van bittere buurman sterker. Ik probeerde niet diep in te ademen. De vuilniszakken stonden alweer een paar dagen, het waren er drie. Ik duwde mijn tong tegen mijn verhemelte en hield mijn lippen stijf op elkaar terwijl ik mijn sleutels in het slot stak. Zelfs binnen rook ik hem nog. Twee dagen later was het niet meer te doen. Die zakken moesten weg en ik deed wat ik nooit eerder had gedaan. Ik belde aan. Ik wachtte en belde nog een keer. Niemand. Het irriteerde me. Ik wist zeker dat hij thuis was.
Ik zou de politie bellen. Had het lang genoeg getolereerd. Ik zou zeggen hoe lang die zakken er al stonden en dus begon ik de dagen terug te tellen. Drie zakken, elke vier dagen een nieuwe… dat is dus minimaal 8 dagen sinds de eerste zak. Die derde staat er nu zeker een dag of 5, 6, dus laten we zeggen twee weken in totaal. Er trok een zwarte golf door mijn lijf. Plotseling dreunde mijn hart in mijn borstkas. Die laatste zak. Na de derde zak was er geen nieuwe bijgekomen.
Een paar uur later werd mijn buurman op een brancard zijn huis uit gedragen. In een hobbelige donkerblauwe Skai lederen zak. De luchten van vuilnis, ongewassen lichaam, eenzaamheid en dood waren zo naadloos in elkaar overgegaan dat ik de transitie van een levende buurman naar een dode niet had opgemerkt tot de geur van alles bij elkaar mij dwars door muren heen tot het inzicht bracht dat ik iemand helemaal alleen had laten sterven terwijl ik boos was om de lucht.
Het zou nog jaren duren voordat ik via via hoorde hoe de politie hem die dag had aangetroffen. Mijn buurman had een hobby. Het luik in de badkamer stond open en een laddertje leidde naar het epicentrum van mijn irritatie. De agent die als eerste naar boven klom had zijn mond en neus met één hand moeten bedekken terwijl de tranen in zijn ogen sprongen en hij zich met de andere vasthield. De vliering van de buurman was leeg op één rookstoel in het midden na. Tegen de wanden van het dak waren honderden uit pornoblaadjes gescheurde bladzijden geplakt. Een eclectisch behang van schuin over elkaar gelijmde borsten, billen, vagijnen en peni in onnoemelijk veel tinten bruin en roze. De rookstoel als spil in een analoge en perfect gepersonaliseerde Pornhub. De agenten vonden mijn buurman met een geelgetande lach op zijn gezicht en zijn joggingbroek om zijn enkels. De knokige knieën maakten een ruit van zijn witmagere benen. Ertussen, in zijn rechterhand lag de ultieme rigor mortis. Mijn buurman was op zijn hoogtepunt gestorven. Ik hoop dat hij gelukkig was.

Voor hen die vallen

Struikel maar.
Verstap je,
verzwik je
en ga desnoods op je bek.
Kijk verbouwereerd achterom
en vraag je af wat er gebeurd is.
Maar meer nog,
sta stil bij wat er komen gaat
als je doorraast.
Als je doordendert
zoals nu.
Als je niet oplet
en geen oog meer hebt.
Als je vergeet.
Je valt in herhaling
en over verschillen.
Tradities zijn een struikelblok
en religies een kloof.
Breek je nek maar
en je hart,
zodat je niet nog eens,
gewoon niet nog eens,
aan dezelfde steen.

 

Het gedicht ‘Voor hen die vallen’ is geïnspireerd door Stolpersteine en een nieuw te bouwen Joods monument in de Helderse binnenstad.