Slet

De eerste keer dat ik slet genoemd werd was ik 10 jaar oud. Meidenkleedkamer. Ik droeg namelijk een bh’tje. Had me kapot geschaamd dat ik er al een nodig had en zag er ineens veel ouder uit dan ik was. Daarna toen twee Franse jongens mijn vakantieliefde wilden zijn
en ik niet kiezen kon. (Putain, zeiden ze allebei, als we letterlijk gaan lopen doen. Terug in Nederland noemde de Winkler Prins me alsnog een slet.) Toen was het een volwassen collega. Zaterdagbaantje. Na sluitingstijd kleedde ik me om voor een feestje. Een zwarte fluwelen broek en een topje met blote buik. Ik had mezelf nog nooit eerder mooi gevonden. “Je ziet eruit als een slet”, zei de collega toen ze de garderobe in kwam lopen. Mijn hart brak. Die avond zoende ik vijf jongens om de verkeerde redenen. Er was de moeder van een vriendje die me de titel gunde omdat ik met kapotgescheurde panty’s liep. Kistjes eronder, schots ruitje erboven en een kapsel als Robert Smith van The Cure. Maar zij zag mijn smerige verlangens, blijkbaar. En hoe ik met mijn 15 jaar niets liever deed dan mannen verleiden. Oh, de meiden bij de kluisjes, waar ik elke dag langs moest. “Hoer!” En Robin, waar ik heimelijk verliefd op was en die alle meisjes getongd had, behalve mij. Jongens die ik niet kende noemden me zo. In mijn gezicht en achter mijn rug. En indirect voelde ik het elke keer dat een ander meisje geslutshamed werd en ik niet durfde te zeggen dat ik haar juist tof vond.
Voordat ik volwassen was had ik al zo vaak gehoord dat ik een slet was dat ik het zelf ging geloven. Dat mijn kleren kwetsende en intimiderende reacties rechtvaardigden, dat mijn gedrag immoreel was en dat alles wat ik voelde verkeerd was. Verliefdheid, opwinding, nieuwsgierigheid, alles leidde tot schaamte. Diepe schaamte. Oh, en er was nog die man, zo’n 40 jaar ouder dan ik, die me zou helpen. Hij heeft me nooit een slet genoemd en toch verliet ik zijn huis met het idee dat ik er zelf om had gevraagd.
Tegen de tijd dat ik vriendjes kreeg liet ik gebeuren wat zij met me deden. Ik probeerde zo veel mogelijk kleding aan te houden en zo min mogelijk te verlangen. Seks in mijn hoofd was altijd duizend keer spannender dan in het echt, maar ik zou niemand ooit vertellen wat ik dacht. Ik millimeterde mijn haar, droeg de jurken van mijn oma en overtuigde mezelf ervan dat geen man me ooit zou willen. Ik had geen idee van de lieve, leuke jongens die me van een afstandje bewonderden, maar dat pas jaren later durfden te zeggen.
Inmiddels ben ik bijna 40 en heb ik de schaamte afgeschud. Eindelijk. Ik kleed me zoals ik mooi vind, geniet van aandacht, heb een seksleven dat veel interessanter is dan alles wat ik vroeger fantaseerde en ben eindelijk trots op het meisje dat ik vroeger was. Met haar rare haar en gekke kleren. Ik durfde niet mooi te zijn, maar wel anders dan iedereen. Wat me spijt is dat mijn plezier me is ontnomen. Dat ik zorgelozer had kunnen zijn. Dat ik niet genoten heb van alle vlinders die mijn puberteit me bood. Dat ik twee decennia nodig had om mezelf leuk te gaan vinden. En het meest van alles dat ik nooit de slet ben geweest waar de buitenwereld me voor hield.

Biologie

Hoofdstuk 19
ging over de huid.
Die was ‘semipermeabel’.
Er konden dingen door,
maar daarna niet meer uit.
Het ging over dagcrème
en uitlaatgassen
en dat je heus je gezicht kon wassen,
maar dat het leed al was geschied.
Toen dacht ik aan verdriet
en hoe een hand je aan kon raken
waar je dat graag wilde
of juist niet.
En zelfs aan woorden
die je van je af moet laten glijden,
maar dat dat dan niet lukt,
omdat ze zo snel je huid in trekken.
Een nek vol rode vlekken,
omdat je erin had lopen wrijven.
Of dat iemand die je net ontmoet had
er zomaar onder was geraakt
en daar waarschijnlijk zou blijven.
Maar niks van wat ik dacht
sprak ik hardop uit.
Ik bloosde slechts en wenste mezelf
een minder
doorlaatbare huid.

Verborgen boodschap

Ergens tussen cola
en het zuivelschap
(Nog voorbij ’t verse vruchtensap)
begon mijn hart opeens te bloeden.
Klaarlichte dag,
maar niemand die het zag,
gelukkig.
Ik zocht een manier
om te verschuilen
(Niet huilen. Niet huilen.)
en deed net of ik etiketten las.
(Door tranen heen
bevat alles te veel zout.)
Het drong al door mijn winterjas.
Stelpen moest ik,
voordat het aandacht trekken zou.
Mijn neus langs mijn mouw,
de Bonuskaart al in de hand.
“Dag mevrouw”, zei de cassiere.
Onbetaalbaar.
En ik legde mijn glimlach op de band.

Razende Bol

Laat me razen, liefste.
De storm ligt
niet aan jou.
Hij woedt
in mij.
En ik geef je de wind van voren.
Gaan al je woorden verloren
in mijn donderpreek.
Ik moet naar buiten, liefste.
Soms, zodat ik niks verwoest.
Ramen en deuren sluiten, liefste
tot ik weer bedaar.
Je kunt een vrouw wel uit de wind halen,
maar de wind niet uit haar haar.
En als ik dan ben uitgebriest,
kom ik gewoon weer terug.
Ik streel nog slechts je wang.
Blaas zacht maar zinnig
de wind in je rug
en mijn zomerjurk omhoog.
Een knipoog
van mijn eigen orkaan.

 

 

Keuze

“Trek niet het boetekleed aan. Heb je enig idee hoeveel vrouwen ik voor me krijg die net zo zijn als jij?” Er valt een korte stilte. Nee, dat heb ik niet. Maar ik geloof niet dat mijn gynaecoloog echt een antwoord verwacht.

Ik ben zwanger. Ik ben zwanger en dat wil ik niet zijn. Niet eens omdat ik 16 ben of omdat het medisch gezien beter is van niet en zelfs niet omdat ik geen partner heb of het niet kan betalen. Ik ben zwanger en ik wil dat niet zijn. Met heel mijn wezen wil ik dat niet zijn.

Met heel mijn wezen wil ik blij zijn met een derde kind. Nog een moppie, misschien nu wel een meisje. Misschien als we verhuizen en een andere auto en dat ik dan weer in loondienst ga. En misschien word ik deze keer niet volkomen gek van slaapgebrek en hormonen. Misschien als ik mezelf gewoon wegcijfer… Dan kan het misschien. Maar het lukt me niet. Mijn hoofd, mijn huis en mijn hart zijn vol. Voller zou voor niemand goed zijn en nog het minst voor het kind dat nu nog een paar cellen is. Het kind dat ik misschien wel – de barsten schieten in mijn ziel –  niet lief zal hebben als die andere twee.

Ik kán niet blij zijn.

Ik leg mijn dokter uit hoe het zo kwam. “Ja, stom natuurlijk. Ben je al zo lang bij elkaar. Er was natuurlijk dat debacle met dat spiraaltje. En ik vond ongelukjes altijd een beetje dom.” Zenuwachtige gniffel. “Nou, karma is wel een trut hè?” De dokter maant me om te stoppen. Het maakt niet uit hoe het zo kwam. Ik zit hier niet voor niks.

Pas veel later weet ik weer wat ik altijd vond. Over abortus. En nóg vind. Dat vrouwen altijd de keus moeten hebben. Dat ze zich niet hoeven verantwoorden. Aan niemand. Niet aan de dokter zoals ik deed, maar ook niet aan hun omgeving of aan mensen die tegen abortus zijn. Al had ik mijn ‘holy trinity’ twaalf keer in een week laten ontheiligen door God weet wie, het gaat niemand wat aan.

Vandaag, vier jaar later, lees ik via Twitter een stuk op EenVandaag. Over demonstranten die vrouwen insluiten bij een abortuskliniek en ze verknipte embryo’s laten zien. Het is geen nieuws. Geluiden tegen abortus zijn ook in Nederland altijd hoorbaar. Soms zijn ze luider. Maar vandaag lukt het me niet om er alleen maar een boze tweet aan te wijden. 280 tekens zijn niet genoeg om ook maar het minste licht te werpen op de betekenis van keuzevrijheid.

Abortus is legaal in Nederland. Wij mogen kiezen. In landen waar dat niet mag, kiezen vrouwen net zo vaak. Want soms is een leven met een ongewenst kind nog altijd minder gewenst dan ondraaglijke pijn en het risico te sterven aan infecties of bloedverlies. Mogen kiezen is een vrijheid waar ik letterlijk met mijn lijf (Mijn. Mijn lijf.) voor zou gaan liggen als het nodig was. Wat ik eerder niet wist, maar wat niks aan die mening afdoet, is wat het betekent om hem daadwerkelijk te maken.

Geen enkele vrouw maakt die keuze lichtzinnig.

Kiezen om dit kind niet te laten bestaan deed zeer. Meer pijn dan ik hier uit kan leggen. Rouw om een stommiteit die nooit iets mooiers gaat worden dan dat. Ik had geen anti-abortus schreeuwers nodig om me ellendig te voelen. En ik had ze niet nodig om me te weerhouden. Vrouwen belagen bij een abortuskliniek is onmenselijk. Dreigen met verdoemenis draagt hooguit bij aan de hel waar ze al in zitten. Wat betekent pro life als je niet verder kan kijken dan het leven van een ongeboren vrucht?

Kiezen om dit kind niet te laten bestaan was de enige goede keus. Voor mij, voor ons, voor het kind dat nooit een kind zal zijn. Mijn arts begreep dat. Hij had de kennis en de middelen en hielp me mijn afweging zo zorgvuldig mogelijk te maken. Geen oordeel. Hij bood me het enige geluid dat ik nodig had. En ik koos. Voor mij.

 

Lijn der verwachting

Ik zou zo graag nog op een dag
een boek hebben geschreven.
Om mijn woorden uit te geven,
voor de schoonheid en de troost.
Aan anderen die ze zochten,
maar gewoon niet konden vinden,
terwijl ik er nooit om zit verlegen.
Ik zou zorgvuldig woorden wegen
om zin te geven aan de loosheid.
Schrijf ik alles toe aan eeuwigheid,
aan zwarte inkt op wit papier.
En blijf ik altijd hier.
Want als ik op een dag,
zoals de vrouwen vóór mij,
niet meer voor mezelf kan spreken,
dan weet ik dat ik alles heb gezegd.
(Voor de zekerheid: ik hou van jou.)
En wie ik ben, voordat ik het vergeet
op schrift is vastgelegd.

Mooie rooie

Dansen we de nacht weg
in een manwerend krachtveld.
Ze mogen wel kijken,
maar niet te dichtbij.
Ze is van mij
en ik de wilde hare.
Raakt ze me nooit meer kwijt.
Geen schuld, geen spijt.
Zusters in de zonde.
Twee vlinders in één buik
en aan een half woord…
Genoegens heimelijk gedeeld.
Heersen we onverdeeld
over de vloer.
Dansen we niet hetzelfde
en toch elkaars gelijken.
Vergeten dat ze kijken.
Meten twee harten dezelfde maat.
“Het is al laat”,
zegt zij. En we lachen.
Want beter laat dan nooit meer dit.