Mis

’t Is zo voorbij,
zei de man die mij in slaap bracht
en hij aaide mijn gezicht.
Nog voor ik hierom huilen kon,
ontwaakte ik in ander licht.

Een lege schoot,
een lege maag.
Ik kreeg een waterijsje
(maar wilde graag een meisje).

Een vrouw voelde mijn pols
en liet de tijd verstrijken.
Ze wachtte nog een poosje,
keek weer naar haar horloge.
Gebroken hartslag,
zo zou blijken.

Ze hing nog maar een zakje op.
Een oplossing van zout,
maar niet voor mijn verdriet.
Die had ze niet.
Ik zag de druppels sneller gaan.
Ze vulden slechts mijn tranen aan.

Terug op zaal mocht ik een kopje thee
en een zuster die me zei:
‘Ik weet het meis, ben net als jij.’
Met een handdoek en haar medeleven
stond ze na de douche al klaar
Ze omhelsde mij heel even
(of viel ik in haar armen?)
bij het drogen van mijn haar.

Fiets

Op mijn nieuwe tweedehands,
ik had ‘m nog maar pas,
zoefde ik door duinen.
De wind door al mijn kruinen.
Mijn haar ging op in helmgras.

‘Papa, kijk me.
Kijk hoe snel ik ga.’
Mijn vader keek me na
en wist dat ik zou vallen.
En dat hij hoe dan ook te laat zou zijn.
Het asfalt deed ons samen pijn.

Een elleboog vol grind.
Een vader loog tegen zijn kind
dat het meeviel.
Dat ze heus wel op kon staan.
Dat ik echt wel door kon gaan.

Dat zou hij blijven doen,
me telkens weer behoeden.
Zijn zakdoek voor het bloeden.
Als de waarheid hard zou zijn.
Als mijn elleboog mijn hart zou zijn.

Maar echt naar viel ik pas
toen hij er niet meer was
en ik troost zocht in zijn zakdoek.
Ik vond er bijna niets.
Slechts een meisje naast haar fiets.

Leer

Ze droeg haar bruidsschoenen weer
De eerste keer
na het jawoord
en negeerde hoeveel pijn ze deden.
Ze pasten bij haar bloes,
maar meer nog bij haar wuft die dag
en ze deed alles wat niet mag.
Ze dronk wijn en lachte om zijn grappen
en ze hoopte op een kus.
Dit was het dus
met iemand anders.
Terug naar huis op hoge hakken
zou de wuft haar in de schoenen zakken.
Ze zocht haar sleutels en een goede smoes,
maar vond alleen het laatste.
En terwijl ze haar vinger op de deurbel plaatste
bloedden haar voeten in het harde leer.

 

Zoet

Weet je nog die keer dat ik je tranen likte?
En jij moest lachen door het afscheid heen.
Ze smaakten zouter nog dan bitter
en ik voelde je intens alleen.
Ik zei iets over dromen
en de liefdes van mijn leven
En ik overwoog nog even
niet te gaan.
Gewoon nog één keer terug te komen,
ik heb het niet gedaan.
De nacht in moest ik en de auto
zodat ik buiten zicht
toe kon geven aan hoe zwart het was.
Door mijn dashboard bijgelicht.
En met het puntje van mijn tong
proefde ik hoe bitterzoet mijn pijn.
Ik wilde altijd van je houden
en toch nooit meer bij je zijn.

Jas

Er zijn plekken in deze stad
waar ik je tegenkom.
En ik nog steeds verlegen om
je aandacht vraag.
Ook vandaag…
zie ik je lopen.
Op een plek waar ooit terras,
weggedoken in een jas
van een man die ik niet ken.
Omdat jij het weer niet bent,
hier alleen een keertje met me was.

Ledig

Als ik ledig je oor kus
en de duivel slaapt tussen ons in
Wanneer ik boze tongen spreek
of bemin voor ik bezin
Als ik tegen muren schreeuw
en slechts splinters in je oog kan zien
Als ik je iets aan wil doen
of iets uit misschien
Als ik kortom niet meer weet
of ik je liefde nog wel lust
Red je steeds mijn vege lijf
wanneer je me veilig kust.

Mama

Ik raak mijn moeder kwijt. Of nee, eigenlijk ligt het anders; mijn moeder is zichzelf aan het verliezen. Dementie mag het niet heten, volgens de neuroloog. Maar wat weet hij nou? Een cardioloog ziet toch ook niet hoe vaak je hart gebroken is?

Mijn moeder is 65 jaar en twee keer weduwe. Dat klinkt precies zo afschuwelijk als het is. De eerste keer was het mijn vader die haar achterliet. De tweede keer de man die haar het geluk teruggaf. Voordat ze 55 was had ze twee mannen verzorgd en liefgehad tot ze, graatmager en hallucinerend van de morfine, stierven in haar armen. Ze belde het uitvaartcentrum, zocht een pak voor ze uit en sprak op hun begrafenis. Bij mijn vader zong ze zelfs. Twee regels. “Je hebt me geleerd om van je te houden, zoals een meisje dat één keer wil doen. Toe leer me nu ook om verder te leven, zoals we dat samen zo graag zouden doen.”

Mijn moeder was wat men veerkrachtig noemt. Sterk en dapper. Ze leek in staat om zichzelf na het rauwste rouwen te herpakken. Aan het werk, aan de wandel en zingen in een koor. Als het leven een lied van Ramses Shaffy was, deed ze alles weer. Alleen lach en bewonder bleven achter. Ze was haar lichtheid kwijt. Mijn moeder had vroeger glitters. Die zie ik pas nu ze er niet meer zijn.

Wanneer het precies begon kan ik niet zeggen. Ze maakte fouten op kantoor, vertelde soms iets voor de tweede keer, kwam niet op woorden of gebruikte de verkeerde. Haar televisie doet het nooit, haar computer doet raar en ze moet echt een nieuwe telefoon. Maar met die apparaten is niks mis. Inmiddels is ze een paar keer verdwaald en verdwaalt ze soms in haar verhalen. Mensen krijgen nieuwe namen, dingen heten anders of gewoon een ding. Ongeduldig zit ik de gesprekken uit. Mijn ergernis is liefde. Ik mis mijn moeder.

“Ik wilde nog wat zeggen, maar nu weet ik het niet meer”, zegt ze vaak. Alsof ze constant voelt dat haar geest haar in de steek laat. Alsof ze zich hele dagen in dat gebied bevindt, vlak voor de herinnering. Mijn moeder leeft op het puntje van haar tong, maar de woorden komen nooit. Zoals alle vrouwen in mijn familie, verliest ze haar taal. Het is mijn grote angst. Als ik geen taal meer heb, ben ik niemand meer.

Mijn moeder doorliep netjes alle fasen van een gezond rouwproces en volgens de scans is haar brein gezond. ‘Officieel’ is er niks met haar aan de hand. Maar ik vraag me af: Hoeveel pijn kan een mens verdragen zonder zijn verstand te verliezen? Hoe houd je jezelf bijeen als je leed groter is dan iemand ooit bevatten kan? En hoe houd je zoveel mogelijk liefdevolle herinneringen vast zonder andere op te offeren? Misschien, heel misschien, houdt mijn moeder twee mannen in leven, maar vergeet ze daarbij zichzelf.

Ik kan het niet stoppen dat mijn moeders brein verzandt. Ik zie haar voor me als een afbrokkelende zandsculptuur en ik probeer haar met mijn handen weer in vorm te drukken. Het zand glipt door mijn vingers en mijn moeder lijkt in niks meer op wie ze was. Waar het heen gaat weet ik niet. Hoelang ze nog zo door kan, wanneer het echt misgaat… Het enige dat ik hoop is dat ik haar veerkracht heb. Dat ik sterk en dapper ben en mijn glitters kan bewaren.

Mama, vergeef me als ik boos doe. Ik weet gewoon niet hoe dit moet. Als ik mijn zinnen verzet kan ik naar je luisteren, zelfs als je taal niet klopt. En als je er niet uitkomt, laat het gaan. Houd je mannen in gedachte, dan doe ik de rest wel. Ik heb genoeg woorden voor ons allebei.

Eentje voor de good guys. #MeToo

“Maar jij kunt over seksueel geweld praten zonder overal handen te voelen.” Het was mijn laatste verweer. De afgelopen dagen sprak ik, zoals zovelen, nogal vaak over seksueel geweld. Vooral met mannen. Leuke, lieve mannen, die nooit een vrouw kwaad zouden doen. En toch werd ik uiteindelijk vaak boos op ze. Gefrustreerd vooral. Omdat ze het niet begrepen.

Ik was aan het verliezen, voelde ik achteraf. Ik kreeg hem niet aan het verstand hoe groot dit was, om hoeveel vrouwen het ging, om hoeveel mannen dus, die zich zo gedroegen. Ik kon hem niet uitleggen wat het met je doet. Hoe angst in ons geworteld is en hoe dat gekke schuld-ding werkt. “Je hoort je leven lang wat je als meisje allemaal niet moet doen”, zei ik. “Niet te veel bloot laten zien, niet ’s avonds gaan joggen, niet met vreemden praten. Daardoor voelt het altijd, al lachte je alleen maar vriendelijk, als je eigen schuld.”

Een handje ondergaan

Iemand raadde me een weerbaarheidstraining aan. Om me sterker te voelen als ik alleen op straat liep, voorbereid te zijn op een aanval, om een verkrachter met een slimme duimgreep op de grond te krijgen. Een prima advies, dat letterlijk levens kan redden. Maar ook dat schuurde. Deze man zei het nadat ik me op Twitter uit had gesproken tegen ongewenste betastingen. In de kroeg vooral. Mijn God, hoe vaak ik, mijn vriendinnen, vrouwen in het algemeen, niet ‘een handje ondergaan’. Lichtjes op je bil, ‘want hij moet er even langs’, per ongeluk op je borst, ‘want je bent gewoon zo mooi’ of tussen je benen, ‘want dat is wat je wil, toch?’ Ik vertelde dat het tot mijn eenzaamste momenten hoorde als iemand in de kroeg weer eens aan me zat en níemand daar aanstoot aan nam. Niemand die zo’n man de wind van voren gaf. Daarmee leek ik misschien te suggereren dat ik gered wilde worden, maar dat was het niet. Ik ben weerbaar genoeg om mezelf te redden. Wat ik erg vond is dat zo’n man hooguit zou voelen dat ík, ‘tease, frigide trut, preuts ding, kutwijf’, het niet leuk vond. Maar dat hij nooit zou voelen dat wat hij doet fundamenteel verkeerd is.

Bewijsdrang

Ik merkte in de gesprekken dat ik voorbeelden ging aanhalen. Kroeghandjes, sissende opmerkingen. Een man in de trein die begon te masturberen terwijl hij naar mijn gezicht keek. Die keer dat ik dat ik achterna gezeten werd in de Koningdwarsstraat en ik harder rende dan ik ooit gedaan heb. Pfff… die keer dat ik als meisje van 15 in het huis van een oudere man verzeild raakte en die aardige man me sommeerde om me uit te kleden. Nee, natuurlijk had ik daar niet moeten zijn. Zo stom. Van mij, ja. Hoe een vijftiger een jong meisje zo ver krijgt dat ze alle waarschuwingen van haar ouders in de wind slaat, doet verder niet ter zake. Blijkbaar.

Ik haalde kortom voorbeelden aan om te ‘bewijzen’ hoe erg het was. Want de meeste leuke, lieve mannen, die nooit een vrouw kwaad zouden doen, kunnen het zich niet voorstellen. Sterker nog, ze voelden zich bijna zelf terecht staan. Omdat de aantijgingen tegen sommige mannen, aanvoelden als aantijgingen tegen alle mannen. Omdat ze diep van binnen zelfs een beetje bang waren dat ze, verliefd of dronken, wel eens iets te lang hadden aangedrongen. Omdat ze als vaders van dochters graag wilden geloven dat het maar om een handjevol gekken gaat. En ik herkende het mechanisme. Ik schiet in een zelfde soort kramp als het om racisme gaat en ik zo graag wil laten voelen dat ik bij de good guys hoor.

Geloof me

Maar het gaat niet om een handjevol gekken. En het ís een groot probleem. Nee, niet alle mannen. De meeste niet zelfs. Maar één klootzak maakt vele slachtoffers. Het was echt niet mijn onverbiddelijke schoonheid die al die mannen tot grensoverschrijdend gedrag bewoog. Deze mannen doen dit vaker en niemand houdt ze tegen.

Lieve, leuke mannen, die nooit een vrouw kwaad zouden doen, voel je aangesproken. Wij hebben jullie nodig. Om samen met ons zoons op te voeden die weten hoe het hoort. Om onze dochters te laten zien wat ze waard zijn. Om je vrienden aan te spreken als ze zich niet gedragen. Of als het moet een vreemde. Je hoeft me niet te redden, maar laat me voelen dat ik niet alleen ben. Geloof me als ik zeg dat ik me aangetast voel in het diepst van wie ik ben. Wie me aanraakt raakt MIJ aan. Dat mag nooit zonder dat ik dat wil. En hou me even vast alsjeblieft, zodat ik altijd weet dat er leuke, lieve mannen zijn die nooit een vrouw kwaad zouden doen.

 

Witte vrouw zkt. vocabulaire

#HalloAnousha,

Hoe gaat het met je? Met mij wel goed, geloof ik. Mijn witte fragiliteit speelt nogal op, dat wel. Een beetje ter hoogte van mijn hart. Ik hoop dat het niet chronisch is.

Ik schrok van je tweet gisteren. Je reageerde op mijn essay ‘Een en Ander overhoop. Een pleidooi voor meerstemmigheid’. Daarin betoog ik dat zogenaamde natuurlijke indelingsprincipes als man/vrouw, mens/dier, hetero/homo niet onschuldig zijn, maar tot stand zijn gekomen op basis van witte, manlijke wetenschap. Ik noemde in dat rijtje ook blank/zwart.

In eerste instantie feliciteerde je mij met mijn derde prijs in de #ikschrijf essaywedstrijd. Toen je las dat ik de woorden blank/zwart had gebruikt, trok je subiet je felicitaties in. ‘Faaaaaak!’ dacht ik. ‘Afgeserveerd door Anousha Nzume!’

Intersectionaliteit

Een paar uur voor de prijsuitreiking, op 10 april, deed ik een bestelling bij de Amsterdam University Press. Jouw boek ‘Hallo witte mensen’. Het boek was nog niet uit, maar ik was er razend nieuwsgierig naar. ’s Avonds mocht ik, tot mijn grote verrassing, de derde prijs in ontvangst nemen. Je Dipsaus-collega en redacteur bij AUP Ebissé Rouw-Wakjira was één van de juryleden. Ze vertelde me dat ze zich er sterk voor had gemaakt mijn essay met een prijs te belonen. Ik ben haar daar enorm dankbaar voor. Sylvana Simons sprak die avond. Ze hoopte, zette ze op Twitter ‘…omdat het maatschappelijk debat dat zo nodig heeft, nog veel van deze vrouw te gaan horen’.

Ik vertel je dit niet om te beargumenteren dat ik ‘heus waar een goed essay heb geschreven’. En ik weet wel beter dan een – huilie huilie – ‘Maar ik bedoelde het toch goed?!’ Ik vertel je dit omdat de woorden van deze twee vrouwen mij het gevoel gaven dat ik, als witte vrouw een zinvolle bijdrage kan leveren aan het gesprek rond intersectionaliteit. Iets wat griezelig is, omdat je juist als witte vrouw zoveel dingen niet weet en sommige dingen gewoon nooit echt zal kunnen begrijpen. Het risico om daardoor toch iets kwetsends te zeggen, ligt altijd op de loer.

Terminologie

Je begint je boek met een korte inleiding over terminologie. Je zegt dat we leven in een tijd waarin we spreken over witte mensen, mensen van kleur en soms ook zwarte en bruine mensen. Je hebt ervoor gekozen, vertel je, in het boek veel verschillende termen te gebruiken omdat we er in het Nederlandse discours ook nog niet over uit zijn wat de juiste of definitieve termen zijn. Voorlopig eclectisch, altijd veranderend, zeg je en je verwijst naar de terminologie die je in de loop der jaren op jezelf hebt toegepast. Later in je boek leg je helder en overtuigend uit wat er mis is met het woord blank. Blank draagt de historisch geladen connotatie van reinheid, puurheid, afwezigheid van kleur en is tijdens de hele koloniale geschiedenis gebruikt als tegengestelde van mensen die werden aangesproken met het n-woord. In oktober 2016 had in De Volkskrant een stuk van de ombudsvrouw over het woord blank gestaan en inmiddels heeft De Volkskrant de term bij het grof vuil gezet.

Alliantie-politiek

Noem me onwetend, maar vergeef me; Tot ik jouw boek las was blank voor mij gewoon een ander woord voor wit. En als dat niet voor heel veel mensen ook zo was, was ‘Hallo witte mensen’ niet eens nodig geweest. Het is pas sinds kort, mede door jouw boek, dat ook hier een verandering in gang is gezet.

Eén woord kan, als het maar genoeg besmet is, 1300 andere woorden om zeep brengen. Dat blijkt maar weer. Als ik mijn essay niet in januari, maar afgelopen maand had ingestuurd, had ik voor wit gekozen. Alle andere woorden had ik laten staan. Ze gaan over alliantie-politiek. Over het loslaten van zogenaamd natuurlijke categorieën, om elkaar te versterken op basis van zelfgekozen verbintenissen.

Je haakte af, zei je in je tweet, omdat ik blank/zwart geschreven had. Ik haak niet af, ook al zette je me keihard in de hoek. Ik kies voor deze verbintenis. I’ll root for you. En ik hoop dat er altijd iemand is die me erop wil wijzen als ik onverhoopt toch verblind word door mijn eigen witte spiegelbeeld.

Het ga je goed.

Yanaika Zomer.

Deur

‘Wanneer zag je Jonas voor het eerst?’ Dokter Meijer kijkt over de rand van zijn bril op uit mijn dossier. Zijn groene ribbroek trekt op langs zijn over elkaar geslagen benen. Dunne witte mannenbenen in beige sokken. Dokter Meijer kucht.

‘Een maand of drie geleden’, zeg ik. ‘In de Stadsschouwburg.’ De dokter laat een stilte vallen. ‘Ik zat in de zaal en hij op het balkon. Vlak voor het licht uitging lachten we naar elkaar. In de pauze kwam hij naar me toe om te zeggen hoe jammer hij het vond dat de voorstelling begon.’

‘Was je alleen?’ Ik knik. ‘Doe je dat vaak, in je eentje uitgaan?’ Ik weet nu al waar dit gesprek naartoe gaat. Voorheen ging ik natuurlijk met Rik. Maar Rik is verliefd geworden op die hoeresloer van Bodypump. De ploert. ‘Nee’, zeg ik. Opnieuw die ‘gestaltige’ stilte. ‘Ik ging altijd met mijn ex. De kaarten had ik al voordat het uitging en uiteindelijk besloot ik alleen te gaan. Was wel een soort overwinning.’ Voor de grap span ik mijn spierballen. ‘Ik heb geen kerel nodig!’

‘En toch werd je die avond verliefd op Jonas…’ Ik laat mijn armen zakken. Wat dokter Meijer bedoelt is dat ik Jonas die avond heb gecreëerd om de lege stoel naast me te compenseren. Maar dat zegt hij niet. ‘Tja, de liefde kun je niet sturen hè’, gooi ik er lafjes tegenaan.

‘Lene, weet je waarom je hier bent?’ Ja, dat weet ik. Afgelopen zondag heb ik mijn ouders over Jonas verteld. Dat hij onzichtbaar is enzo, en dat ik eigenlijk de enige ben die hem kan zien. Nou had ik heus niet verwacht dat mijn ouders het meteen zouden snappen. Dat zou pas echt gek zijn. Maar ik had op zijn minst gehoopt dat ze het zouden proberen. Helaas, mijn moeder begon eigenlijk meteen te huilen en mijn vader begon te Googlen op ‘crisislijn’. Dezelfde middag zat ik hier.

Ik zeg: ‘Mijn ouders denken dat ik waanbeelden heb.’ ‘En wat denk jij?’ vraagt dokter Meijer. Nou, niet natuurlijk. ‘Ik denk… eeh…wéét dat er mensen zijn die door niemand worden gezien.’ Ik probeer dokter Meijer uit te leggen dat iedereen onzichtbaar kan worden. Als je maar voldoende genegeerd wordt, er niet mag zijn als het ware, verdwijn je vanzelf. Zou hij toch interessant moeten vinden. ‘Er zijn heel veel mensen die onzichtbaar zijn’, vertel ik, ‘alleen…. tja, dat ziet niemand dus.’ ‘Jij wel’, zegt dokter Meijer. Ja, ik wel.

Jonas vertelde me al gauw dat alleen ik hem zag. Dat hij zo verbaasd was geweest toen ik teruglachte die avond. Het verwarde me. Eigenlijk dacht ik zelf ook wel even dat ik gek was geworden. Maar Jonas was mooi en lief en grappig en uiteindelijk beseften we dat het gewoon voorbestemd moest zijn. De onzichtbare man en de vrouw die oog voor hem had.

Er brak een bizarre tijd aan. Zo verliefd, maar alles in het verborgene. Al die keren dat mijn vriendinnen vroegen of ik soms iemand had ontmoet. Ze zagen me zo weinig en ik was steeds zo vrolijk. Ik kon het wel uitschreeuwen: ‘Ik heb de leukste man ter wereld ontmoet!!’ maar hield mijn mond. Ze zouden hem willen leren kennen, of tenminste willen weten wat voor werk hij deed. Wat zeg je dan? Mijn vriend voorziet in zijn eerste levensbehoeften binnen een netwerk van andere onzichtbaren? Laat maar.

We bleven gewoon veel in mijn huis- en slaapkamer. Uren praten, lachen, lezen, vrijen. Eigenlijk had dat genoeg moeten zijn. Maar die stomme neiging van me om altijd maar alles uit te moeten spreken, leidde uiteindelijk tot het gesprek met mijn ouders afgelopen zondag.

‘We willen je graag een tijdje hier houden’, zegt dokter Meijer. ‘Je krijgt medicijnen die je helpen alles weer even op een rijtje te krijgen.’ Mooi gezegd dokter. Ze heeft ze duidelijk niet allemaal op een rijtje.

Ik word teruggebracht naar ‘mijn kamer’. Het is een soort mini-studentenkamer. Een bed, een bureau, een kast en een raam dat de illusie lijkt te willen wekken dat je hier op elk gewenst moment naar buiten kan stappen. Maar het raam kan niet open en is van hard onbreekbaar plastic.

Ik mag bellen. ‘Jonas?’ ‘Liefie, waar zit je!?’ Ik zeg hem dat ik ben opgenomen. ‘Je ouders?’ ‘Ja.’ Hij zucht. ‘En nu?’ ‘Ik moet hier blijven en medicijnen slikken tot je weg bent.’ Ik schrik van mijn eigen woorden. Wat nou als ik me vergis? Wat als Jonas inderdaad niet echt is en verdwijnt als ik die pillen slik. ‘Liefje. Ik wil je niet kwijt.’ zeg ik.

Voor de plastic glazen deur van het telefoonhok verschijnt een meisje. Ze kauwt op haar haar en tekent met de natte pluk op het raam. Duidelijk zo gek als een deur. ‘Ik mag nu bellen’, zegt ze. ‘Ik moet ophangen, Jonas. Ik hou van je.’ ‘Het komt allemaal goed’, antwoordt hij.

Die nacht droom ik van Jonas. Hij is boos op me. Vindt dat ik te weinig weerstand heb geboden tegen mijn opname en de medicijnen. Hij zegt dat ik hem verloochen. Als hij tegen me schreeuwt dat hij me nooit meer wil zien, vallen er gaten in mijn lijf. Ik besef dat ik onzichtbaar word en schrik wakker.

Jonas zit op mijn bed. Oké, het is officieel, ik ben gek! Hij kan hier niet echt zijn. Voordat ik wat kan zeggen, brengt hij zijn vinger naar zijn lippen. ‘Ssst. Ik kom je halen.’ ‘Maar…eeh, wat?’ ‘Onzichtbaarheid heeft ook zijn voordelen, Lene. Ik ben met een nachtverpleegkundige naar binnen gekomen. Toen ze televisie zaten te kijken kon ik vrij gemakkelijk de sleutels pakken.’ Dan kijkt hij me indringend aan. ‘Onze liefde kan hier niet meer bestaan. Zodra je maar de indruk zou wekken dat je me nog zag, zou je weer opgesloten worden. Laten we samen weggaan. We zien wel waarheen, als ze jou er maar niet kennen.’ Ik knik, weet meteen dat dit onze enige kans is.

Jonas gaat voor. Hij kijkt om de hoek van de deur en gebaart me mee te komen. Samen sluipen we door de donkere stille gang. Ik ben nog nooit zo bang geweest. Dan verschijnt plotseling een hoofd achter het raam van één van de kamerdeuren. Het is het meisje dat op haar haar kauwt. Godver, shit, we zijn erbij! Er verschijnt een grote grijns op haar gezicht. Knikt ze nou naar Jonas? Ze draait zich om en verdwijnt in het donker.

Aan het eind van de gang kijkt Jonas weer eerst om de hoek. De zusterpost en dan de deur naar buiten. Ik moet mijn hand voor mijn mond slaan om de angstige klank in mijn keel te onderdrukken. Jonas glimlacht geruststellend en fluistert me toe: ‘Ik ga eerst en zet de deur op een kier. Als ik dat zacht doe, hoort niemand het. Dan kom jij. Op het moment dat je bij de deur bent en hem verder open doet, moet je snel zijn. Zodra ze dat door hebben, breekt de pleuris uit.’

Ik word bijna niet goed. Sta ik hier toch eigenlijk min of meer in mijn eentje in mijn nachtpon op de gang van een gesloten inrichting. Wat moet ik doen als iemand me nu ziet? Jonas begint te lopen. Achter de ruggen van de TV-kijkende verpleegkundigen langs, naar de deur. Hij steekt de sleutel in het slot en draait zachtjes, heel zachtjes het slot open. De klik die dat teweeg brengt klinkt in deze angstige stilte als een donderslag, maar niemand kijkt op. Jonas wenkt me. In gedachte begin ik terug te tellen van drie naar één, maar bij twee lijkt het plotseling het goede moment. Ik ren op mijn tenen naar de deur. Yes! Nu een klein stukje verder open… Ik sta buiten. Onder het afdakje staan we even stil en kijken elkaar lachend aan. ‘Nu!, zegt hij. Ik zet mijn linkervoet in de sneeuw en begin te rennen.