Drup

Het venster lekte.
Pijpenstelen wekten mij
als een drup drup druppende
onheilsbode.
Morsend code
langs de vensterbank.
Met badstof en gegodvertyfus,
redde ik wat me lief is
van de verdrinkingsdood.
De watersnood
afgewend en het lek
gedicht.

Draaglijk

Ik had mijn kleren
koud
over de stoel gelegd.
De mouwen gevouwen
als armen
voor een bezwaard gemoed.
De plooien gladgestreken,
alsof ik ze na vannacht
opnieuw zou kunnen dragen,
terwijl ik nu al wist
dat ze morgen
nog veel te veel
zouden ruiken naar vandaag.
Ik wilde je afschudden.
Mijn haar afgooien,
waar je in zat.
Mijn huid afstropen,
waar je onder.
Alles op de stoel
in de hoop dat ik het morgen
nog één keer
aan zou kunnen.

Het ging niet meer.

Gebruiksgemak

Accepteer alles.
Klik.
Vergeet wat noodzakelijk wordt geacht,
aanvaard alle.
Verzet je niet
en verbeter je ervaring.
Accepteer het gewoon.
Hulp
Cash
Een grote bek
Jezus Christus
De putten in je kont.
Aanvaard mijn excuses
en dat je niet zijn type bent.
Leg je neer
bij iemand anders
en bij de oneerlijkheid van het bestaan.
Ontvang nu 1000 euro in bitcoin
en het maximale aantal gasten.
Ga akkoord met de voorwaarden
en accepteer dat het nooit meer goed komt.
Het kan zo makkelijk zijn.
Waarom stoppen bij de koekjes?

Webben

Een mens eet in zijn slaap gemiddeld acht spinnen per jaar. Dat is niet waar, ik heb het gecheckt, maar dat helpt niet. Ik weet dat ik ze wel eet. Ik proef ze als ik wakkerstik met de hoekigheid van pootjes in mijn keel. Weerhaakjes zacht in het roze vlees. Ik voel ze tegen mijn huig, nog half in leven en ik zie ze voor me, verlept aan mijn verhemelte geplakt, terwijl ik niks anders kan dan slikken. Weer één. De derde deze week.

Spinnen ruiken je angst. Dat is ook niet waar. Dat zijn honden, denk ik. Hoe dan ook, het is geen geruststelling. Nooit vreesde iemand minder na de woorden: “Niet bang zijn. Dat ruiken ze”, net zomin als na de woorden: “Ze zijn banger voor jou dan jij voor hen”. Dat is een mythe. Ik zie het aan ze als naar me loeren in de schuur en ik voel het zodra Thomas’ welterustenkus het donker inluidt. De oogjes. Acht oogjes in de hoek van de slaapkamer die geduldig toekijken terwijl ik – de lippen op elkaar geperst, mijn kaken geklemd – vergeefs probeer niet weg te zakken. Straks zal ik zachtjes snurken. Terwijl mijn onderkaak langzaam openvalt zullen mijn lippen wijken.

Ik ben niet altijd bang geweest. Ik herinner mij hoe ik als meisje voorovergebogen in een overgooier door gemeentestruiken ploegde zonder een moment van vrees. Ik voelde webben plakken aan mijn gezicht en lachte om de rookbruine dikkerd die als een abseiler razendsnel afdaalde langs de rug van mijn zusje. Ik stak zonder vrees mijn hand in een donker gat en verheugde me op alles wat ik er mogelijk zou treffen. Het was zelden iets moois en nooit de spin die ik nu in elke donkerte verwacht, maar één keer vond ik mijn aardbeiengum terug achter de piano. Toen ik alle stofvlokken had afgeplukt rook hij nog bijna net zo lekker als toen ik hem was verloren.

Ik observeerde kruisspinnen in de tuin en van achter het raam. Ik tekende met mijn vinger het web na op het glas en zag hoe ze elke dag dikker werden. Sappige bruine lijfjes met de glans van een machtig bruin politiepaard. Het kruis op hun rug, opgebouwd uit heldere geelwitte vlekjes, leek in de verste verte niet op de zwarte verfklodderkruizen die de kinderen in mijn klas op hun herfsttekeningen schilderden. Je moest druppelen met witte verf, maar dat snapte niemand.

Tomas werd mijn buurjongen in de zomer van 1989. Hij vroeg me hoe oud ik was en of hij mijn kamer mocht zien en ’s avonds bij het eten vertelde ik mijn ouders dat hij mijn beste vriend was. We groeiden op in een nieuwbouwwijk die op dat moment nog geen wijk was maar een speeltuin in de vorm van een bouwput. We rolden van bergen zand af, verstopten ons in betonnen rioolbuizen en speelden vadertje en moedertje tussen witte opgestapelde blokken die ooit de muren zouden zijn van onze overburen. Tomas was bij de Marine en ik zorgde thuis voor de baby en we verlangden niet naar wie we nog meer konden zijn dan onze ouders. Soms gingen we vissen. Dan mocht ik mee en droeg het groene tasje waarin hij een blikje met maden bewaarde en waarin zijn moeder twee pakjes appelsap en een dik stuk tulband had gestopt. De tas tikte bij elke stap tegen mijn heup. Ik stelde me voor hoe de maden door elkaar werden geschud als rijstkorrels in een gloeiendhete wok. Als Tomas ze aan de waterkant met zijn afgekloven nagels uit het blikje plukte en aan zijn haakje prikte, keek ik toe. Het was de eer van de eigenaar van de hengel om de maden te rijgen. Als de appelsap onze blaas bereikt had en geen van ons beiden zin had zich los te maken uit onze groene bel, pieste Tomas de eerste letter van mijn naam tegen een boom, terwijl ik met mijn rok omhoog en mijn rug zo hol als ik kon, probeerde om ook staand te plassen. Als mijn schoenen en kniekousen droog bleven applaudisseerde hij. Als ik ze nat plaste nog harder.

Een keer toen we samen naar huis waren gefietst en afstapten in de steeg ontdekten we een dikke zwarte spin die zich veel te langzaam voortbewoog over het grijs van de stoeptegels. Zijn lijf was een scheefgegroeid paasei, aan de ene kant veel dikker dan aan de andere. Het leek alsof het hem uit evenwicht bracht. Tomas was de eerste die zag dat het beest maar zeven poten had. “Dat is zielig”, zei hij. Maar ik gruwelde van het monsterlijke ding dat deze spin geworden was. Een mislukt wetenschappelijk experiment. Een ongeluk waar ik mijn ogen niet af kon houden. Het sleepte zich voort door onze steeg om ergens in een hoek te sterven of te muteren tot een bultige reus met zeven poten. Er knapte iets. Geluidloos doch spetterend. Tomas had zijn voorwiel gedraaid en langzaam het crossprofiel over de spin heen geduwd. Het gebochelde lijf was opengebarsten als een cherrytomaat en een dikke klodder geel spoot uit de scheur omhoog. “Dat moet, zegt mijn vader. Je moet een zielig dier uit zijn lijden verlossen.” Ik hoorde wat Tomas zei, maar kon alleen maar kijken naar de struif op zijn banden.

Het zal niet veel later zijn geweest dat Tomas me op kwam halen met een lege jampot. De nazomer nodigde uit tot buitenspelen, terwijl de dagen al korter werden en de bosjes zich vulden met webben. Ik trok mijn sandalen aan en rende achter Tomas aan. “We gaan kruisspinnen zoeken!”, riep hij en hield plotseling stil bij een web. Behendig manoeuvreerde hij het dekseltje erachter en hield de pot ervoor. Heel voorzichtig duwde hij de spin met het roodgeruite deksel de pot in. Een kruisspin raakt buiten zijn web direct uit zijn element. Het serene wachten, het oneindige geduld, wordt in één klap opgeheven en het paniekig krioelen van één spin werd al gauw het paniekig krioelen van drie, zes, zeven, twaalf spinnen. Een levende notenmix waarin hazelnootjes met hazelpootjes vochten met dikke uitgelopen macadamia’s. Ondertussen ontstond aan de binnenkant van het deksel een wonderlijk vlies. Een spiegeltje haast dat was opgebouwd uit de vele laagjes web die bij elke vangst bleven plakken. Ik gleed er voorzichtig met mijn vinger overheen en hoopte dat ik het kon bewaren. “Je moet ook een pot gaan halen”, zei Tomas. “Deze wordt te vol.” Ik rende het tuinpad op, gooide mijn sandalen uit bij de achterdeur, stoof naar binnen en dook in het krat in de bijkeuken waar het glas werd bewaard. “Mag ik deze, mama?” riep ik en voelde de haast in mij razen toen mijn moeder de tijd nam het af te wassen. Met de honingpot in mijn handen vloog ik weer terug naar buiten. Ik negeerde mijn sandalen bij de deur, en zette mijn blote voeten op de gewassen grindtegels om zo snel mogelijk terug bij Tomas te zijn. “Hier!” zei ik, duwde de pot in Tomas’ hand en pakte de volle aan. Het exemplaar dat hij inmiddels gevonden had, moest zo snel mogelijk uit zijn web geschept. Met het jampotje en de belofte van het vlies in mijn handen, keek ik toe hoe Tomas de beste vangst deed van de dag. Een lichtbruine, bijna gouden achtpoot. Het kruis glanzend als ingelegd paarlemoer. Hij was dikker en woester dan we ooit hadden gezien en leek te stompen tegen het glas.

Misschien was dat het daar dat ik medelijden kreeg. Of bang werd. Er zou een moment komen dat we ze vrij moesten laten. Ik keek naar het potje in mijn handen en zag hoe de wriemelende angstwoede van veertien gevangenen haast onzichtbaar door glas werd gescheiden van mijn vingers. Pootjes hadden zich al tegen mijn duim gezet om elk moment tegen mijn arm op omhoog te lopen. Venijnige kaakjes op spanning om mijn huid te doorboren. In mijn hoofd schoot zwaarte, mijn handen verloren hun vaste vorm. Het potje viel op de grond.

Blote voeten. Glas. Spinnen.

Ik keek. Míjn blote voeten. De scherven – wanneer Tomas en ik dit verhaal op verjaardagen vertellen als een griezelige anekdote uit onze jeugd, zijn het slechts de scherven – dwongen me te blijven staan, terwijl veertien koppoters hun weg over elkaar en over mijn voeten naar de bosjes vonden. Het was de angst die mijn kniegewrichten afsloot. Die zich hoekig in mijn keel vastzette en vergeefs een weg naar buiten zocht. Weerhaakjes. “Suz?” Mijn naam in Tomas’ stem. “Suz!” Met een zwaaiende hand verbrak hij de kleverige spinnendraad die mijn blik verbond met mijn voeten op de tegels. Terwijl hij zijn wijsvinger onder mijn kin legde, drukte hij mijn mond dicht met een kus.

 

 

 

 

 

Maat 38. En een half

Een meisje wankelwiegt haar heupen
op haar nieuwe hoge hakken.
De ongemakken
op de aankoop toe,
want voor hetzelfde geld
– 40 euro bij van Haren –
liep ze nu op hagelwitte gympen,
zonder blaren,
langs een overvol terras.
Maar dan zou niemand zien
dat ze al best volwassen
voor haar leeftijd was.
Stomme Adidas.
Ze moet gewoon heel voorzichtig
evenwichtig,
hielen lichten
en elke stap
op de klikklak richten.
Spijt doet meer pijn,
als je eraan toegeeft.
Bijna thuis.

Plan

Ik had het bed opgemaakt
en mijzelf zo mooi als ik kon,
voor het geval dat je zou blijven.
Ik had me levende lijven
voorgesteld en jou op een zeker moment
aan mijn ouders.
Want zo moest het gaan.
Ik zou voor je staan
met de bravoure
van zeven lustiglieve hoeren
en jij zou onder mijn indruk zijn.
Ik onder jouw huid.
Maar ik struikelde
over woorden en
de zin
verging mij toen mijn lip
een sterk stalig bloeden zou.
Je trok je hand terug
in je mouw
en depte zachte vlekken
in je kobaltblauwe overjas
tot het over was
en er niks meer van mijn plan.

Hiernanogmaals

Als de nachten vallen
er steevast doden
lastig in mijn slaap.
Denk ik.
Maar liever geloof ik
dat de man aan mijn voeteneind
mijn eigen geest is
(die op hol slaat
als de dagen me uit,
de uren me over)
en niet één die mijn nachtlamp
aanziet voor het licht.
Tunnelvisie.
Waanzin stelt gerust
als je bang bent
dat er hiernanogmaals iets is,
terwijl je in hemelsnaam
alleen maar een beetje
vredig in wil slapen.

Kansberekening

Waar wacht je op?
Op toestemming?
Op goedkeuring?
Op de toekomst. Proost.
Je bungelbeent op een muurtje,
met een pleister op je knie
(van de laatste keer)
en met gympen aan je voeten.
Dromen najagen
vraagt om goede schoenen
en een plan.
En dus wacht je.
Op je beurt.
Op je moment.
Op je muurtje
tot er deuren opengaan.
Of een raam misschien.
Je bent niet groot,
een kiertje is genoeg
en je zal het heus weer dichtdoen
als je klaar bent.
En ondertussen glimlach je
naar anderen voor diezelfde deur
en bijt je groene zuurtjes weg
tussen je knarsetanden,
als iemand ze zomaar binnenlaat.
Je troost je
met de gedachte dat je jong,
niet zo jong meer,
oud
maar veelbelovend bent.
Je moet gewoon geduld hebben.
En geluk.
Want als je nu opstaat
om wat te doen,
zal je net zien natuurlijk,
dat alle deuren opengaan
en jouw kans
(want zo zijn ze, kansen)
zich eindelijk voordoet.
Nee hoor, jij blijft zitten waar je zit,
je bungelbeent
en wacht.
Ga je ook niet op je bek.

Betaalde liefde in een Amber licht

Amber van Esphen is high-class escort bij één van de hoogst aangeschreven escortbureaus van Nederland. De afgelopen zeven jaar – en inmiddels richting acht – schreef ze columns voor LINDA. over het leven van een duurbetaald meisje van plezier. 95 van die columns, waaronder enkele nog niet eerder gepubliceerde, zijn nu gebundeld en liggen vanaf 16 juni in de winkel.

Amber is niet haar echte naam. Het is de naam waaronder ze werkt en schrijft. Een pseudoniem en een rol. “Amber is in principe elke vrouw die klanten willen dat ik ben. Wil je me als een meisje? Doen we dat. Ben ik een dame met een parelsnoer? U vraagt wij draaien. En als jij dat toevallig leuk vindt, draag ik blauwe nagellak met een omgekeerd baseballpetje. De klanten waar ik mee te maken heb, zijn mannen met geld. Oud geld, nieuw geld, heel snel rijk geworden of hard gewerkt. Daar zit verschil in. Maar die mannen hebben hoe dan ook wensen en ze zijn bereid 300 euro per uur neer te leggen voor je hele ziel en zaligheid.”

Kassa

En dus geeft Amber ze het uur, de avond of zelfs de weken van hun leven. Want als high class escort ben je er niet alleen voor een avondje wellust. Soms ben je de welingelichte tafeldame voor een zakendiner in Bangkok, soms mag je mee winkelen in New York en soms wordt je ingevlogen om een vaste klant te vergezellen op een reis naar Bali. “Ik ben altijd wat voorzichtig om me hierover uit te spreken, maar om high class escort te kunnen zijn, moet je meer kunnen dan mensen soms denken. Ik spreek mijn talen, volg het nieuws en heb een brede algemene kennis. Je moet een gesprek kunnen voeren en meegaand kunnen zijn, maar ook assertief als mannen te veel van je willen.”

Meegaand betekent dat je er in principe bent voor de wensen van die klant. Of je die nou wel of niet aantrekkelijk vindt, wel of niet aardig en of hij nou eerst uren wil praten of gelijk een speeltje in zijn bips. “Als je vanmiddag boodschappen gaat doen, kijk dan even naar de rij en stel je voor dat zo direct naar bed moet met de voorste man. Zo is het een beetje. Je krijgt een korte beschrijving van je bureau, bij vaste klanten is er wat meer informatie, en dan ga je erheen. Wat er achter de deur staat, daar moet je het mee doen.”

Schrijven

Amber begon 16 jaar geleden met dinnerdaten om haar studie te bekostigen. Ze was gezelschapsdame voor zowel mannen als vrouwen. Toen een klant haar vroeg of ze ook met hem naar bed wilde, zwichtte ze voor het geld. Zonder enige spijt achteraf, wist ze dat ze dat vaker zou kunnen, maar dan goed. Ze meldde zich aan bij twee chique bureaus en kwam uiteindelijk in de positie dat ze kon kiezen voor de beste. “Werken is vrijheid. Geld biedt ruimte om dingen te doen. Mogelijkheden. En natuurlijk, een keer een designertas kopen is heel leuk, maar als je er acht hebt gaat de charme er wel af. Ik kan de wereld zien en op mijn 50e stoppen met werken om lekker te gaan schrijven. En zonder dat geld had ik waarschijnlijk ook nooit voor LINDA. kunnen schrijven.”

Amber begon met haar columns onder begeleiding van een bekende Nederlandse auteur. “Ik had een klant die me regelmatig voor langere tijd boekte en daarvoor moest ik heel veel reizen. Ik zat urenlang op vliegvelden te wachten op vertraagde vluchten en tranfers. Als ik dan bij hem was, moest hij ook nog heel vaak werken. Ik verveelde me. ‘Nou, dit is dus mijn leven’, dacht ik. Dan kun je heel lang klagen dat je geen kansen in je leven hebt gehad of niet de opleiding hebt gedaan die je graag gewild had, maar je kunt er ook wat aan doen. Bovendien wist ik dat ik niet tot mijn 65e als escort kon blijven werken. Ik besloot dat ik weer een opleiding wilde gaan doen. Iets met schrijven, want dat had ik altijd leuk gevonden. Maar ja, elke week in een klasje verschijnen was natuurlijk niet te combineren met een leven waarin je rond de wereld vliegt. Ik benaderde daarom een bekende schrijver met de vraag om privéles. Hij liet me weten alleen getalenteerde mensen te begeleiden en vroeg me wat op te sturen. Een paar columns over dagelijkse dingen. Later aan de koffie zei hij ‘Je columns zijn flut, maar ik zie wel dat je talent hebt’. Toen zijn we aan de gang gegaan.”

Goud

Het leidde tot stukken die onder zijn begeleiding steeds beter werden. “Maar ik schreef over je schenen stoten tegen een rollator in de supermarkt en over mijn dode cavia. Mijn coach vroeg me eens over iets anders te schrijven. Iets dat me echt aan het hart ging. Daarop besloot ik hem in vertrouwen te nemen over mijn werk.” Amber lacht. “Zijn mond viel open van verbazing. ‘Je zit op een pot met goud!’ zei hij. Onder zijn toezicht heb ik toen vijf columns geschreven en opgestuurd naar drie bladen in de hoop dat er één was die er wat in zag.” Opnieuw kon Amber kiezen.

Dubbelleven

Elke maand lezen LINDA.lezeressen (en vast een hele hoop mannelijke lezers) met Amber mee over zakenmannen met halfzachte piemels, oesters eten in Hong Kong, overspelige BN-ers en onverwacht lieve of heel aantrekkelijke klanten. En daarmee over de vrijheid die Amber voor zichzelf kan kopen. De columns zijn licht geschreven, vaak met een knipoog en Amber maakt dankbaar gebruik van de bijzondere (en soms bijzonder onaangename) karakters die haar revue passeren. Maar soms tikt ze even de zelfkant aan. Amber leidt een dubbelleven. De meeste mensen in haar privé-omgeving weten niet dat zij escort-dame is én de schrijver van die veelbesproken column in LINDA. “Ik werk hard en betaal belasting, ik ben vriendelijk voor andere mensen, netjes ook en als ik klaar ben met werken is iedereen blij. Ik denk dat ik een goed mens ben. Maar ik ben goede vriendinnen kwijt geraakt door te vertellen wat ik doe. Eén gooide mijn verhaal zelfs op straat. Ik ontmoet wel eens leuke vrouwen, maar als het lijkt te klikken vraag ik me altijd af hoe het verder moet. Wie denkt ze dat ik ben? Wie mag ik zijn? Kan ik vertellen wat ik doe? Bij dates doe ik dat vrij snel, want je kunt niet na een half jaar nog tegen een man zeggen dat je eigenlijk ook seks hebt met anderen. De meeste mannen kunnen daar niet tegen. Het schaadt hun ego. Zelfs klanten zeggen het wel eens. Ze vinden het ontzettend geil, een hoer in een kanten setje, maar hun eigen vrouw zouden ze zo niet willen zien. Eén nieuwe liefde liet me weten dat hij nog liever had dat ik wapens smokkelde of drugs verkocht aan kinderen dan dit.”

Dankbaar

Amber houdt haar leven als Amber zo veel mogelijk geheim. Die prijs betaalt ze om uiteindelijk precies te doen wat ze zelf wil. Maar het risico op ontmaskering ligt altijd op de loer. Mijn ouders wonen in een klein dorpje, een andere generatie… Ze zouden het niet begrijpen. Het verdriet dat hun dochter dit werk doet en de roddels in het dorp wil ik ze echt besparen. Als je me graag wil ontmaskeren, als je daar echt heel blij van wordt, ga je gang. Maar kom je aan mijn ouders, dan maak je me boos.”

Nog een paar jaar. Een paar jaar dure hotels en gekke toeristen. Een paar jaar dankbare oudere heren en arrogante ballen met sigaren. Een paar jaar spanning en avontuur. Dan houdt de vrouw achter Amber het voor gezien. Met meer levenservaring dan twintig van haar klanten bij elkaar, een bankrekening die daar eer aan doet en de wereld aan haar voeten. “Ik ben Amber heel dankbaar voor wat ze me heeft gebracht.”

Amber. Belevenissen van een high-class escortdame wordt uitgegeven door Uitgeverij Kosmos en is verkrijgbaar vanaf 16 juni.

Dit artikel verscheen eerder in Vrij, zaterdagbijlage van het Noordhollands Dagblad.