Verborgen boodschap

Ergens tussen cola
en het zuivelschap
(Nog voorbij ’t verse vruchtensap)
begon mijn hart opeens te bloeden.
Klaarlichte dag,
maar niemand die het zag,
gelukkig.
Ik zocht een manier
om te verschuilen
(Niet huilen. Niet huilen.)
en deed net of ik etiketten las.
(Door tranen heen
bevat alles te veel zout.)
Het drong al door mijn winterjas.
Stelpen moest ik,
voordat het aandacht trekken zou.
Mijn neus langs mijn mouw,
de Bonuskaart al in de hand.
“Dag mevrouw”, zei de cassiere.
Onbetaalbaar.
En ik legde mijn glimlach op de band.

Razende Bol

Laat me razen, liefste.
De storm ligt
niet aan jou.
Hij woedt
in mij.
En ik geef je de wind van voren.
Gaan al je woorden verloren
in mijn donderpreek.
Ik moet naar buiten, liefste.
Soms, zodat ik niks verwoest.
Ramen en deuren sluiten, liefste
tot ik weer bedaar.
Je kunt een vrouw wel uit de wind halen,
maar de wind niet uit haar haar.
En als ik dan ben uitgebriest,
kom ik gewoon weer terug.
Ik streel nog slechts je wang.
Blaas zacht maar zinnig
de wind in je rug
en mijn zomerjurk omhoog.
Een knipoog
van mijn eigen orkaan.

 

 

Keuze

“Trek niet het boetekleed aan. Heb je enig idee hoeveel vrouwen ik voor me krijg die net zo zijn als jij?” Er valt een korte stilte. Nee, dat heb ik niet. Maar ik geloof niet dat mijn gynaecoloog echt een antwoord verwacht.

Ik ben zwanger. Ik ben zwanger en dat wil ik niet zijn. Niet eens omdat ik 16 ben of omdat het medisch gezien beter is van niet en zelfs niet omdat ik geen partner heb of het niet kan betalen. Ik ben zwanger en ik wil dat niet zijn. Met heel mijn wezen wil ik dat niet zijn.

Met heel mijn wezen wil ik blij zijn met een derde kind. Nog een moppie, misschien nu wel een meisje. Misschien als we verhuizen en een andere auto en dat ik dan weer in loondienst ga. En misschien word ik deze keer niet volkomen gek van slaapgebrek en hormonen. Misschien als ik mezelf gewoon wegcijfer… Dan kan het misschien. Maar het lukt me niet. Mijn hoofd, mijn huis en mijn hart zijn vol. Voller zou voor niemand goed zijn en nog het minst voor het kind dat nu nog een paar cellen is. Het kind dat ik misschien wel – de barsten schieten in mijn ziel –  niet lief zal hebben als die andere twee.

Ik kán niet blij zijn.

Ik leg mijn dokter uit hoe het zo kwam. “Ja, stom natuurlijk. Ben je al zo lang bij elkaar. Er was natuurlijk dat debacle met dat spiraaltje. En ik vond ongelukjes altijd een beetje dom.” Zenuwachtige gniffel. “Nou, karma is wel een trut hè?” De dokter maant me om te stoppen. Het maakt niet uit hoe het zo kwam. Ik zit hier niet voor niks.

Pas veel later weet ik weer wat ik altijd vond. Over abortus. En nóg vind. Dat vrouwen altijd de keus moeten hebben. Dat ze zich niet hoeven verantwoorden. Aan niemand. Niet aan de dokter zoals ik deed, maar ook niet aan hun omgeving of aan mensen die tegen abortus zijn. Al had ik mijn ‘holy trinity’ twaalf keer in een week laten ontheiligen door God weet wie, het gaat niemand wat aan.

Vandaag, vier jaar later, lees ik via Twitter een stuk op EenVandaag. Over demonstranten die vrouwen insluiten bij een abortuskliniek en ze verknipte embryo’s laten zien. Het is geen nieuws. Geluiden tegen abortus zijn ook in Nederland altijd hoorbaar. Soms zijn ze luider. Maar vandaag lukt het me niet om er alleen maar een boze tweet aan te wijden. 280 tekens zijn niet genoeg om ook maar het minste licht te werpen op de betekenis van keuzevrijheid.

Abortus is legaal in Nederland. Wij mogen kiezen. In landen waar dat niet mag, kiezen vrouwen net zo vaak. Want soms is een leven met een ongewenst kind nog altijd minder gewenst dan ondraaglijke pijn en het risico te sterven aan infecties of bloedverlies. Mogen kiezen is een vrijheid waar ik letterlijk met mijn lijf (Mijn. Mijn lijf.) voor zou gaan liggen als het nodig was. Wat ik eerder niet wist, maar wat niks aan die mening afdoet, is wat het betekent om hem daadwerkelijk te maken.

Geen enkele vrouw maakt die keuze lichtzinnig.

Kiezen om dit kind niet te laten bestaan deed zeer. Meer pijn dan ik hier uit kan leggen. Rouw om een stommiteit die nooit iets mooiers gaat worden dan dat. Ik had geen anti-abortus schreeuwers nodig om me ellendig te voelen. En ik had ze niet nodig om me te weerhouden. Vrouwen belagen bij een abortuskliniek is onmenselijk. Dreigen met verdoemenis draagt hooguit bij aan de hel waar ze al in zitten. Wat betekent pro life als je niet verder kan kijken dan het leven van een ongeboren vrucht?

Kiezen om dit kind niet te laten bestaan was de enige goede keus. Voor mij, voor ons, voor het kind dat nooit een kind zal zijn. Mijn arts begreep dat. Hij had de kennis en de middelen en hielp me mijn afweging zo zorgvuldig mogelijk te maken. Geen oordeel. Hij bood me het enige geluid dat ik nodig had. En ik koos. Voor mij.

 

Lijn der verwachting

Ik zou zo graag nog op een dag
een boek hebben geschreven.
Om mijn woorden uit te geven,
voor de schoonheid en de troost.
Aan anderen die ze zochten,
maar gewoon niet konden vinden,
terwijl ik er nooit om zit verlegen.
Ik zou zorgvuldig woorden wegen
om zin te geven aan de loosheid.
Schrijf ik alles toe aan eeuwigheid,
aan zwarte inkt op wit papier.
En blijf ik altijd hier.
Want als ik op een dag,
zoals de vrouwen vóór mij,
niet meer voor mezelf kan spreken,
dan weet ik dat ik alles heb gezegd.
(Voor de zekerheid: ik hou van jou.)
En wie ik ben, voordat ik het vergeet
op schrift is vastgelegd.

Mooie rooie

Dansen we de nacht weg
in een manwerend krachtveld.
Ze mogen wel kijken,
maar niet te dichtbij.
Ze is van mij
en ik de wilde hare.
Raakt ze me nooit meer kwijt.
Geen schuld, geen spijt.
Zusters in de zonde.
Twee vlinders in één buik
en aan een half woord…
Genoegens heimelijk gedeeld.
Heersen we onverdeeld
over de vloer.
Dansen we niet hetzelfde
en toch elkaars gelijken.
Vergeten dat ze kijken.
Meten twee harten dezelfde maat.
“Het is al laat”,
zegt zij. En we lachen.
Want beter laat dan nooit meer dit.

Zelf

Misschien als ik vanavond
als een diertje
onder dekens opgekruld
en mijn haar over mijn ogen,
adem door een kiertje
net doe of je hier bent.
Heel diep aan je denk
zodat je in mijn dromen komt
en ik in die van jou.
En dat ik dan mijn lijf,
(Ik ben nog steeds een diertje)
zacht onder je handen vlei.
(Vooruit, ze zijn van mij)
en ik me voorstel
hoe ik je liefheb gelijk mezelf.
Ben jij mijn naaste,
maar is en zijn je kussen leeg.
En tast ik in het duister,
als ik jou met al mijn liefs
zoek en aan me overgeef.

15

Ik ging zelf.
Een andere stad, op de fiets.
Mijn ouders zei ik niets.
Ze zouden het niet begrijpen.

Hij was ooit in dienst geweest,
lang voordat ik was geboren.
Ik wilde zijn verhalen horen
en in zijn groene legerjas,
een soldatenmeisje zijn.

Zijn luchtdrukpistool
en mijn schaterlach.
Een poster van een halfnaakte vrouw.
“Ze lijkt op jou”,
zei hij
En ik raakte haar recht in haar hart.

Uren later, zonder jasje.
(zonder spijkerbroek of ondergoed)
was ik geen soldatenmeisje meer.
Een penning voor mijn eer
en het jasje mocht ik mee naar huis.

Niemand heb ik daar verteld,
van wat hij had gedaan.
Er was geen sprake van geweld
(tenzij je geruisloos ook meetelt).
En ik was zelf gegaan.

Erf

Ik hoopte op een dag
haar gele theeservies
met één gebroken kopje.
Misschien de eierdopjes
en haar gouden armband.

Ik hoopte op haar goede genen,
haar levenslust en doodsveracht.
(Liever niet haar benen,
als ik kiezen kon.)
En hoe ze huilt wanneer ze lacht.

Nu hoopt de zorg zich op
en ik ten langen leste
nog hooguit op het beste
en zij dat ze geen last zal zijn.

(Verzwijg ik mijn ware hoop in dezen
of genen niet belast te zijn.)

Pas de Deux

Pas naar voren,
pas opzij.
Pas op mij
(want ik houd geen maat).

Pas op de plaats.
Pas op mijn tenen
(snel op getrapt).
Passie verdwenen.

Passie terug.
Je hand op mijn rug.
Dan draai ik om jou
en alles om mij.
Hand in mijn zij.

Pas geleden
Pasje geleid.
Passie weer kwijt.

Eén stap verkeerd.
Pas geblokkeerd.