Was

Op mijn tenen door een zee van bloemen
zoemde een kist langzaam dichter
bijen dacht ik,
maar ik wist mijn vader.
Kwam het zoemen nader,
terwijl ik net geen stelen knakte,
maar misschien wel een beetje
op een lint ging staan

(Oh mijn lieve papaatje,
zeg het niet tegen mamaatje.
Ik zal zoet naar school toe gaan)

en vlug een ander pad koos.
Ik wilde niet.
De bijen zoemden koud
en ik zag zijn handen al.
Over rozen ging ik
en langs een mand vergeet-me-niet.
Natuurlijk niet.

Onder mijn voeten kraakte folie
en in mijn neus prikten lelies
toen een harde tik de zwerm verjoeg.
(Mijn vader was weer even koud genoeg,
De thermostaat zou stilte spoedig weer verstoren.)
Eenmaal aan het eikenhout
zag ik hoe de bijen zijn ogen
met was hadden gesloten,
hij zijn ziel al was verloren
en dat zijn lippen waren dichtgeplakt.

Ik durfde niet te kussen.

 

Christiaan S.

Ik zag een man in de drogist,
die ik vagelijk herkende.
Zijn gezicht sprak boekdelen
uit mijn jeugd.
Ik vroeg me af of hij nog wist
van de speeltuin
en de schutting
en zijn hand om mijn keel.
Hoe ik niet meer praten kon
en zijn vrienden moesten lachen.
Dat hij van me won,
doordat ik eigenlijk niks deed.
Tegen de grond onder de schommels.
haalde ik mij een kus op de hals
die je weken later nog kon zien
(en waarmee ik niet naar huis toe durfde)
omdat hij had gebeten.
Nooit echt vergeten,
gewoon onder het puin geraakt.
Hij keek naar me,
terwijl hij naar de kassa liep.
Rekende roze plastic af,
dat in China was gemaakt
voor de meisjes om zijn heupen.
En ik hoopte dat hij ze kon behoeden
voor jongens die hij was.

Dingdong

Beste reizigers,

De trein naar Lang en Gelukkig
van half vergeten,
rijdt vandaag niet.
Morgen ook niet trouwens,
nooit gedaan.
U kunt een minnaar nemen
richting ondergang
of overstappen
op de aard van iemand anders.
Houd rekening met een dood spoor.
U kunt ook wachten tot het overgaat.

NS zet kussen in.

Ariël

Ik weet nog wel dat ik een meermin was
en mijn stem weggaf voor benen
die wankelen als ik iets wil zeggen
en ik niet uit kan leggen
dat ik terug wil gaan.
Omdat ik zonder meer
te min ben
om op eigen benen te gaan staan.

Verlengde

Er zijn jongetjes die alles anders maken.
Ze zitten gewoon op je bank
en drinken stiekem van je thee.
Je wil vooral dat ze zich niet branden
aan verkeerde vrienden
en meisjes die van lieverlee
hun intrede zullen doen.
Ze lopen met hun vieze voeten
over je tapijt,
halen bloed onder je nagels.
Raken je sleutels kwijt
en hun zachte wangen
(die je tevergeefs zal blijven strelen
tot ze vierkant zijn
en stoppelig als die van hun vader).
Ze lagen altijd al
in jouw verlengde,
lang voordat ze hun plek opeisten
in je hoofd, je hart, je schoot.
Je bed ook,
waarin je op het randje ligt
en alleen je arm slaapt.
Ze hebben vragen die je zelf nooit stelde
en waarvan niemand je vertelde
dat ze konden komen.
Wat erger is bijvoorbeeld,
onthoofd of toch ontvoerd,
of je jezelf een ander mens kan dromen
en of ik niet liever een meisje…
(Nee.)
Er zijn jongetjes die alles anders maken.
Van twee
ervan
werd ik moeder
dan ik dacht te kunnen zijn.

Rouwpost

Er zat een hoge dichtheid
in de vrouw die aan mijn deur kwam.
Die mond, die lach, die krullen.
Ze verkocht kaarten voor het goede doel
en ik was haar niet vergeten.
Vorig jaar nam ik er al een paar,
maar had ze eigenlijk nooit gebruikt.

Haar lach verstilde
en brokkelde in stukken op mijn stoep.
“Ik was hier niet.
Niet eerder dan vandaag.”

Haar zusje

was na haar vakantie
in eeuwige rust gebleven
en in een laadruim teruggekeerd.
“Daarom loop ik nu haar kaarten.
Om iets van haar te houden.”

Nu liggen in mijn la dus
twee setjes
waar ik nooit iets mee zal doen.
“Dank u.
Voor uw gift enzo”, zei ze.
Enzo was denk ik
dat ik haar zusje had bewaard.

Hoogste tijd

Gisterenavond dacht ik
dat ik Harry Mulisch zag
fietsen in een ribcord broek.
Bij elke trap een stukje enkel bloot
en zijn haar verwilderd door de elementen.
Ik weet heus wel dat het aan mijn ogen lag
(en misschien het zwarte licht).
Mul isch al een tijdje dood.
Maar misschien dat hij in mij
ook een schrijver had herkend en
vandaag over mij dicht.

Aan me dacht

Soms kan ik niet bij je.
Dan ketsen mijn grappen
terug in mijn gezicht
en lach ik veel te hard om mij.
Dan mag ik niet op je lijf,
want net gegeten
of net vergeten
hoe het moet.
Aandacht bedoel ik.
Soms troost ik mij
door heel hard tegen je aan te ontvangen.
Het is niet een voortdurend verlangen,
maar meer iets dat terugkeert
als ik op mijn graagst ben,
op mijn vraagt ben
en jij juist dan geen antwoord geeft.
Mag ik een klinker kopen?
Ik kom er zelf wel uit.
Hoef je niks te zeggen,
alleen je hand hier neer te leggen
en mijn haar zo’n beetje
weg te strijken.
Naar me kijken
zoals anderen.
Niet veranderen,
dat vraag ik niet.
Je stugheid is me lief.
Maar soms kan ik niet bij je.
Dan geef ik mezelf weg
op plekken waar aan me wordt gedacht,
waar iemand op me wacht
en jij afvraagt waar ik blijf.

Danser zonder benen

“Wat zijn wij voor wezens?” vroeg ze. Ik wist het niet. Alleen dat we konden huilen achter een koelkastdeur en er met taart en limonade weer achter vandaan konden komen.

We hadden het natuurlijk zelf gedaan. Met mannen die niet van ons waren, maar die ons ergens doorheen hielpen tot we verliefd of anderszins beschadigd raakten. Er is geen medelij voor buitenvrouwen. En dus leden we met elkaar en tilden elkaars maagstenen tot ze niet zo zwaar meer wogen. Schuldgevoel wordt lichter als je het kunt delen.

We waren niet trots op wat we deden en we wilden niemand pijn doen. Samen bouwden we zorgvuldig aan een waterdicht systeem waarin we hooguit zelf op onze bek konden gaan en de ander altijd klaar stond om je op te rapen.

Altijd was nu.

“Hij is dood, Babs” appte ik. “Ik weet niet wat ik moet.” Drie kwartier later zat ze op mijn bank. “Hartinfarct. Meer weet ik niet.” Behalve dat de rol van buitenvrouw de meest onbeduidende is als haar liefde iets overkomt. Niemand die je zegt even te gaan zitten voor het slechte nieuws, niemand die je adres op een rouwkaart schrijft, geen condoleance, geen koffie met cake en bovenal geen afscheid. Heb je niet verdiend. Besloten kring, geen bloemen. Godverdomme.

Zij had bloemen. “Ontrouw tot de dood ons scheidt. Liefs, Babs.” Ik viel in haar armen en huilde mijn lelijkste huil tot ik in slaap viel. De volgende ochtend stond ze eieren te bakken in mijn keuken en belde mijn baas dat ik ziek was. “Ik moet hem zien”, zei ik. “Te gevaarlijk”, zei ze. “Juist nu mag nooit meer iemand van jullie weten. Denk aan zijn vrouw.”

Ik heb nooit anders dan aan zijn vrouw gedacht. Die lief was en een goede moeder en knapper dan ik ook, maar waar hij op een of andere manier toch niet genoeg aan had. Ik heb nooit helemaal begrepen waarom niet. Wat mijn mannen allemaal gemeen hadden was dat ze geen slecht huwelijk hadden, mede doordat ik er was. Ik was alles wat ze misten en andersom kreeg ik precies wat ik nodig had. Lusten, niet de lasten en precies genoeg liefde om me staande te houden. Waarom ik het niet uithield met een man die alleen van mij was, geen idee. Oké, dat lieg ik. Ander verhaal.

Op de dag van zijn begrafenis haalde ze me op. “Ik wil niet naar buiten”, zei ik. “Ik wil in mijn pyjama zijn appjes lezen en aan mijn blouse ruiken. Hij zit er nog een beetje in.” Babs pakte zacht de blouse uit mijn handen en stopte hem in haar tas. “Douchen, stinkerd. We gaan wat leuks doen.” Met tegenzin, de grootste tegenzin, douchte ik mezelf voor het eerst in dagen. Gek hoe je tranen op je wangen kunt onderscheiden van warm water uit de kraan. Ik waste mijn haar en zij droogde me af. “Zwart ondergoed”, zei ze. En ik wist dat ze een plan had. Ik onderdrukte bij elk setje smeriglieve herinneringen tot ik die ene had waarvan hij had gezegd dat ik hem nooit voor een ander zou mogen dragen. Babs duwde een tasje in mijn handen. “Trek aan, lief. Dit is wie je bent vandaag.” In het vloeipapier een zwarte pencildress en zwarte pumps. Ik wou dat hij me erin had kunnen zien. Ik bekeek mezelf voor de spiegel en Babs kwam achter me staan. Ze draaide mijn haar omhoog en speldde het vast. Een hoed. Een hoed met voile. Ze zette hem schuin op mijn hoofd en trok het zwarte kant over mijn gezicht. Een weduwe. Een inktzwarte weduwe uit een slechte gangsterfilm.

Drie seconden kon ik door voor een vrouw die net de liefde van haar leven was verloren. Toen kreeg ik de slappe lach. “Kom, we gaan”, schaterde ze en achterop haar fiets reed ze me door de stad. Mensen keken ons na, een gierende vrouw in rouw en haar vriendin die met liefde de wind voor haar ving. We reden langs het restaurant waar ik voor het eerst koffie met hem had gedronken, langs de bioscoop waar we stiekem zoenden in het donker en door het park waar we bijna waren betrapt. En toen reden we naar zee. De wind kwam op, de tranen ook. “Ik kan niet zonder hem, Babs.” Ze pakte mijn blouse uit haar tas. Ik begroef mijn gezicht erin en snoof. Ik rook hem, wie hij was, wie hij nooit voor me had mogen worden, wat we deden en het eeuwige onraad. Toen liet ik los. Mijn blouse wapperde in de wind en vloog over de dijk, cirkelde als een danser zonder benen, raakte nog één keer de grond en verdween uiteindelijk uit het zicht. “Je hebt mij toch?” zei ze. Mijn enige ware die niet buitenecht was.

Later aan de wijn dacht ik aan haar vraag. Wat zijn wij voor wezens? Telkens weer het grootste verboden verdriet en altijd weer herrijzen. “Fabeldieren”, zei ik. Ze tikte haar glas tegen het mijne. “Fabeldieren.” En we dronken tot de wind ging liggen.