Voor hen die vallen

Struikel maar.
Verstap je,
verzwik je
en ga desnoods op je bek.
Kijk verbouwereerd achterom
en vraag je af wat er gebeurd is.
Maar meer nog,
sta stil bij wat er komen gaat
als je doorraast.
Als je doordendert
zoals nu.
Als je niet oplet
en geen oog meer hebt.
Als je vergeet.
Je valt in herhaling
en over verschillen.
Tradities zijn een struikelblok
en religies een kloof.
Breek je nek maar
en je hart,
zodat je niet nog eens,
gewoon niet nog eens,
aan dezelfde steen.

 

Het gedicht ‘Voor hen die vallen’ is geïnspireerd door Stolpersteine en een nieuw te bouwen Joods monument in de Helderse binnenstad.

Pleeg

We waren nachtzusters
en opereerden in het donker.
We deelden drankjes uit
en doekjes voor het bloeden.
Hielden haren vast van zieke meisjes
en troostten zeemannen
met storm in hun glas.
Ze visten slechts naar complimentjes
en we naaiden hun monden dicht
met lange halen
tot ze zo gehecht waren
dat ze liederen over ons zongen
en tatoeages namen
naar ons evenbeeld.
We waren nachtzusters,
opereerden in het donker
tot iedereen pijnvrij was,
de dienst geleverd.
Sliepen we samen in zachte kronkels
de dag weer heel
en maakten ons op
voor een nieuwe nacht
met nieuwe gewonden
en meisjes die nog moesten leren.
We waren nachtzusters
en je kuste mijn vingertoppen
als ik mezelf per ongeluk gesneden had
aan een matroos.

Watervallen

Soms zie ik je vallen,
achterover (altijd tegen)
en in vertraging.
Maar zelfs in de herhaling
kan ik niet voorkomen
dat je gaat.
Een glazen wand
van 109 mijlen dik.
Je blik
op oneindig
en allang niet meer op mij.
Straks raakt je rug het water
en kijk ik toe
hoe je winterjas zich volzuigt
(te zwaar om nog te dragen)
en je gympen in het slik.
Stokt mijn adem tot ik stik.
(Niet meevallen nu,
wachten, op de kant
tot je weer met beide benen.)
Ik sla nog één keer op het glas,
en weet hoe tevergeefs.
Wie niet horen wil, maar voelen
dat je leeft
en langzaam naar de diepte zakt.
Als je me nodig,
had je mijn hand allang geroepen
en mijn naam gepakt.

Jatten

Het was je achteloosheid denk ik,
je onderarmen ook
en het ritsje op je trui.
Zoiets zit daar niet toevallig.
Daar kies je voor.

Ik stelde me voor,
eerst aan jou
en daarna dat achter dat ritsje
je hart lag.
Voor het oprapen,
voor het stelen.
Voor het te laat zou zijn
en jij gewoon weer op zou staan,
alsof je er ook niks aan kon doen.

Ik hield je aan de praat
en aan beloftes
die je uit zou spreken als het was gelukt.
Ik hoefde alleen maar
mijn hand op je hart te krijgen.

Later die avond
legde ik het mijne op je tong
(je was volledig afverleid)
en liet mijn vingers zoeken.

Ik ging naar huis
met een pakje grote vloe
en hooguit wat gestolen schuld.

 

 

 

 

Strandthuis

Verwant aan de tapuit,
ben ik een vreemde vogel.
Een flapuit die nergens
zo gedijt als hier.
Nog nat achter mijn oren
van het zeewater uit mijn jeugd.
Het zal de sterke stroming zijn.
Eeuwig plakken mijn handen
van ijsjes aan de vloedlijn
die kraakten tussen je tanden.
En onder de douche ’s avonds
scheen je schoon,
maar in bed kriebelde de dag
tussen je tenen.
Meer nog bleek ik later verliefd
op wind
op huid,
die opwindt
of juist tot kalmte maant,
net naar hoe je in je vel zit
– altijd licht verbrand,
want niets zo verraderlijk als een bries –
die mijn haar deed wapperen
alsof ik heel erg hard ging
in mijn raceauto van zand.
Ik ben een vrouw van strand,
die de zee kust
met lippen die zachtjes schuren
en waarin je vuur- en watertoren proeft.
Op een dag hoopt ze hier
nog dood gevonden te gaan worden
met de wind in haar
en geboortegrond
tussen haar tenen.

Was

Op mijn tenen door een zee van bloemen
zoemde een kist langzaam dichter
bijen dacht ik,
maar ik wist mijn vader.
Kwam het zoemen nader,
terwijl ik net geen stelen knakte,
maar misschien wel een beetje
op een lint ging staan

(Oh mijn lieve papaatje,
zeg het niet tegen mamaatje.
Ik zal zoet naar school toe gaan)

en vlug een ander pad koos.
Ik wilde niet.
De bijen zoemden koud
en ik zag zijn handen al.
Over rozen ging ik
en langs een mand vergeet-me-niet.
Natuurlijk niet.

Onder mijn voeten kraakte folie
en in mijn neus prikten lelies
toen een harde tik de zwerm verjoeg.
(Mijn vader was weer even koud genoeg,
De thermostaat zou stilte spoedig weer verstoren.)
Eenmaal aan het eikenhout
zag ik hoe de bijen zijn ogen
met was hadden gesloten,
hij zijn ziel al was verloren
en dat zijn lippen waren dichtgeplakt.

Ik durfde niet te kussen.

 

Christiaan S.

Ik zag een man in de drogist,
die ik vagelijk herkende.
Zijn gezicht sprak boekdelen
uit mijn jeugd.
Ik vroeg me af of hij nog wist
van de speeltuin
en de schutting
en zijn hand om mijn keel.
Hoe ik niet meer praten kon
en zijn vrienden moesten lachen.
Dat hij van me won,
doordat ik eigenlijk niks deed.
Tegen de grond onder de schommels.
haalde ik mij een kus op de hals
die je weken later nog kon zien
(en waarmee ik niet naar huis toe durfde)
omdat hij had gebeten.
Nooit echt vergeten,
gewoon onder het puin geraakt.
Hij keek naar me,
terwijl hij naar de kassa liep.
Rekende roze plastic af,
dat in China was gemaakt
voor de meisjes om zijn heupen.
En ik hoopte dat hij ze kon behoeden
voor jongens die hij was.

Dingdong

Beste reizigers,

De trein naar Lang en Gelukkig
van half vergeten,
rijdt vandaag niet.
Morgen ook niet trouwens,
nooit gedaan.
U kunt een minnaar nemen
richting ondergang
of overstappen
op de aard van iemand anders.
Houd rekening met een dood spoor.
U kunt ook wachten tot het overgaat.

NS zet kussen in.

Ariël

Ik weet nog wel dat ik een meermin was
en mijn stem weggaf voor benen
die wankelen als ik iets wil zeggen
en ik niet uit kan leggen
dat ik terug wil gaan.
Omdat ik zonder meer
te min ben
om op eigen benen te gaan staan.