15

Ik ging zelf.
Een andere stad, op de fiets.
Mijn ouders zei ik niets.
Ze zouden het niet begrijpen.

Hij was ooit in dienst geweest,
lang voordat ik was geboren.
Ik wilde zijn verhalen horen
en in zijn groene legerjas,
een soldatenmeisje zijn.

Zijn luchtdrukpistool
en mijn schaterlach.
Een poster van een halfnaakte vrouw.
“Ze lijkt op jou”,
zei hij
En ik raakte haar recht in haar hart.

Uren later, zonder jasje.
(zonder spijkerbroek of ondergoed)
was ik geen soldatenmeisje meer.
Een penning voor mijn eer
en het jasje mocht ik mee naar huis.

Niemand heb ik daar verteld,
van wat hij had gedaan.
Er was geen sprake van geweld
(tenzij je geruisloos ook meetelt).
En ik was zelf gegaan.

Erf

Ik hoopte op een dag
haar gele theeservies
met één gebroken kopje.
Misschien de eierdopjes
en haar gouden armband.

Ik hoopte op haar goede genen,
haar levenslust en doodsveracht.
(Liever niet haar benen,
als ik kiezen kon.)
En hoe ze huilt wanneer ze lacht.

Nu hoopt de zorg zich op
en ik ten langen leste
nog hooguit op het beste
en zij dat ze geen last zal zijn.

(Verzwijg ik mijn ware hoop in dezen
of genen niet belast te zijn.)

Pas de Deux

Pas naar voren,
pas opzij.
Pas op mij
(want ik houd geen maat).

Pas op de plaats.
Pas op mijn tenen
(snel op getrapt).
Passie verdwenen.

Passie terug.
Je hand op mijn rug.
Dan draai ik om jou
en alles om mij.
Hand in mijn zij.

Pas geleden
Pasje geleid.
Passie weer kwijt.

Eén stap verkeerd.
Pas geblokkeerd.

Moeder kwijt

‘Ik wilde nog iets zeggen,
maar nu weet ik het niet meer.’
Telkens weer,
balanceert mijn moeder
op het puntje van haar tong.

‘Ik moet morgen naar een feest’,
vertelt ze. En ze pakt de kaart erbij.
De buurvrouw is dan jarig
(dat is ze al geweest).
‘En dan moet ik naar een zaaltje.’

Ze had ook nog een cadeau gekocht.
‘Een hoe heet het ook alweer.
Wel een goede hoor, geen rommel.
In die winkel, met die dingen.
Hè, nu weet ik het niet meer.’

Brieven gaan in mapjes,
etuitjes in tasjes
in laatjes in kastjes,
stuurt ze zichzelf van daar
naar de muur.

En dan weet ze ineens
van Edith Piaf
en hoe mooi dat was.
‘Ik heb haar ooit een brief geschreven.
In het Frans, denk ik. Dat kon ik toen.’
Ze weet heus nog dingen uit die tijd,
alleen niet waar die is gebleven.

Tongstrelend

Zou ik je kussen,
legde ik mijn hand om je wang.
Wachtte ik te lang,
omdat ik zenuwachtig was.
Herstelde ik pas
toen jij mijn haar
uit mijn gezicht zou strijken
en uit dat gebaar zou blijken
dat ik door mocht gaan.
Ik zou je adem
in mijn adem
en niet naar je durven kijken.

Mijn ogen dicht en dichterbij
tot ik bijna je lippen
en jij de mijne.
Ik in je zou verdwijnen
als ik nu al toe zou geven.
Heel even.
En dan mocht ik.
Zocht ik
je mond en een beetje zekerheid.

Beet ik zachtjes in je onderlip,
maakte het tongstrelend goed.
Voelde ik het bloed
waar het maar gaan kon
en het deinen van de wijn.
Een kus alvast tegen de pijn.
Zodat ik het ook aankon
dat je nooit van mij mocht zijn.

Harder dan de band

Binnenkomen. Gewoon binnenkomen, je jas uitgooien en een sigaret opsteken. Een beetje hangen tegen een pilaar en dan opkijken. Hij ziet je niet. De band is nog niet begonnen. Toch te vroeg van huis gegaan. Maar schoolfeest en een nieuwe broek en je vader stelde stomme vragen. Je All Stars plakken aan de vloer.

Shit, hij kijkt! Bijna lach je naar hem, maar net op tijd weet je weer dat je niet mooi genoeg bent. Je nieuwe broek, groen fluweel met wijde pijpen verandert daar niks aan. Je haalt je hand door je hanenkammetje. Die is goed gelukt vanavond, dat wel.

Vriendinnen. Gelukkig, vriendinnen. Het gegil van meisjes van 15. ‘Oooh, je broek!’ En: ‘Is ‘ie er?!’ ‘Kom, we gaan dansen.’

De avond vordert. Je danst. Eerst onwennig, dan zo mooi als je kunt en dan zonder na te denken. Moshpit. Ineens voel je dat hij kijkt. Zijn ogen op jou gericht, je weet het zeker. Je lacht gestileerd met je vriendinnen en draait met ingestudeerde achteloosheid zijn kant op. Hij kijkt niet. Hij had überhaupt niet gekeken.

Hij heeft zijn petje op vanavond.

De band is hard, jouw soort hard. Je wil zo dicht mogelijk bij de versterkers en de drums tegen je evenwichtsorgaan. Je vriendin tikt je aan. “Heb jij nog bierbonnen?!” schreeuwt ze. Andere tijden. Je ziet haar pogoënd richting bar vertrekken. Haar paardenstaart rockt net als zij. Je danst door. Je danst de hormonen uit je lijf. De demonen uit je lijf. En je vergeet dingen.

“Je zou best knap zijn als je niet zo wit was.”

“Je bent eigenlijk best wel dik.”

“Hoer.”

Je vriendin is nog steeds niet terug. Geeft niet. Je had toch geen zin in bier. Zou hij kijken? Je doet je rookroutine. Opsteken, inhaleren, uitblazen en opkijken. Hij staat niet meer bij zijn vrienden. Waar is ‘ie? Shit, zou hij al naar huis zijn? Ineens weet je zeker dat je vanavond met hem had durven praten. Je kijkt de aula rond. Niks. En waar blijft je vriendin?

Dan kijk je naast het podium. Visnetten met kerstlampjes erin fungeren als coulissen. Door het gaas heen zie je silhouetten. Vrienden van de bandleden. Roadies misschien. Een kussend stelletje. Wat moet het tof zijn om iemand te zijn die zoent op een schoolfeest. Hij heeft zijn hand op haar billen, zij kijkt naar hem op. Haar voorhoofd raakt zijn petje. Ze begint te lachen. Ze dansen samen. En dan komt de waarheid harder binnen dan de band. Haar paardenstaart rock net als zij.

Groeipijn

“Het lijkt wel of het leven hier niet goed genoeg meer voor je is!” Hij stond tegenover me in de keuken en kneep mijn keel dicht met zijn woorden. Hoge woorden, die hij kwijt moest. Woorden ook waarop ik geen antwoord had. Mijn stilte klonk bevestigend, ook voor mezelf.

Natuurlijk. Natuurlijk was het goed genoeg. Het leven thuis, met een man en kleine jongetjes. Met judo-toernooien en nog even naar de slager. Met ‘haal jij ze op, dan zorg ik voor het eten’. Met voorlezen en overhoren. En met tonnen liefde, dat ook. Maar vingers en zere plekken. Ik kon niet ontkennen dat ik weg wilde. Soms. Naar plekken waar ik leuker ben.

Ik probeerde het hem uit te leggen. “Ik ben aan het bloeien. Ik ga goed daarbuiten. Ik haal opdrachten binnen en waardering. Mensen lezen wat ik schrijf, vinden het goed en voor het eerst in mijn leven vind ik dat zelf ook. Ik word opgemerkt…” Het was even stil. “Door andere mannen?” Weer kneep hij mijn keel dicht. Ja, ook door andere mannen.

Ik was afgedwaald de laatste tijd. De buitenwereld trok zo hard aan mij dat ik liever daar was. Fysiek daar of via mijn telefoon, maar in ieder geval niet hier. Want hier werd ik voor lief genomen. Ongelooflijk lief, dat wel. Maar toch. Voor lief.

Mijn God, wat een cliché was ik geworden. Vrouw van tegen de 40 die ‘balletjes hoog houdt’ en ‘een team vormt’ met haar man, maar zo ongelooflijk pijnlijk verlangde naar zijn aandacht en zijn begeerte en een gesprek dat niet over de agenda ging. Zo’n stel zouden we nooit worden. Zo’n stel werden we toch. Want Jezus, wat is het godvergeten moeilijk om van elkaar te blijven houden als het leven zelf ertussen komt te staan.

Groeipijn heb ik. Ik wil vooruit. Ik houd me mijn hele leven al in en mijn tijd is nu. Ik wil iemand zijn daarbuiten. Maar niet, nooit ten koste van mijn gezin.

Joke Smit belde. Ze wil haar feminisme terug.

Waar ik de verdeling tussen werk en zorg altijd beschouwde als één van de grote feministische thema’s, beleefde ik het als iets logistieks. Iets met je uren verdelen, iets waar we uitkwamen met elkaar. Hij en ik. Ik vind dat vrouwen zich door niks en niemand in de weg moeten laten zitten om te worden wie ze willen zijn. Mijn man vindt dat ook. Maar vinden en voelen is niet per se hetzelfde. Logistiek is niet het punt. Het is de liefde die het ingewikkeld maakt. Want hoeveel kun je elkaar gunnen zonder elkaar te missen? En hoe hard kun je groeien zonder dat uit elkaar te doen? Verlies ik hem als ik word wie ik echt kan zijn?

Ik wil het. Ik wil het allebei. Ik wil hier zijn en daarbuiten. Ik wil zorgen en werken. Ik wil een goede moeder zijn. Zo graag een goede moeder zijn. En ik wil zijn vrouw zijn. Eentje waar hij trots op is. Maar bovenal wil ik, moet ik, mijn eigen vrouw zijn. Trots zijn op mezelf.

En nog nooit eerder schuurden mijn idealen zo pijnlijk tegen mijn hart.

Bloei

Soms denk ik nog aan bollenschuren
waar je uren achtereen 
tulpenbollen pelde.
Je kistjes telde 
en de dagen.

Waar aan de lopende band 
liefdes bloeiden
en je hand in hand 
het erf verliet 
met de jongen van de rooimachien.
En je 's avonds op het strand zou zien
dat hij net zo min als jij
wist hoe je een kus begint.

Waar de zomerhits al stoffig waren
voor ze door de schuur heen kraakten
vanuit een oude radio.
En we ons geen illusies maakten
of grote zorgen,
want vandaag voorspelde morgen.
Zonnig en mooi weer zeven kistjes.

Waar het vuil zich ophoopte tot onder je huid, 
terwijl jongens om de heftruck streden.
Maar hoeveel pijn je handen deden
voelde je niet 
in die van hem.