Anderhalve meter sessies

Het zingt in mij,
iedere dag
een wijsje in mijn hoofd
door het meisje in mijn hoofd
dat bij alles een liedje weet,
de wereld om zich heen vergeet,
maar nooit hoe Elvis Costello
schouders bezong
en hoe zijn hart erop brak.
Ik wil je.

Het klinkt in mij.
Vinylzucht.
De platen van mijn vader,
De Koningin van de Nacht,
dwars door plastic concertglazen
– troost, jongens –
wij waren erbij,
op een dinsdagavond
in de kleine zaal van Paradiso.
Koninginnen van de Steentijd.

Het dicht in mij.
Gesloten zalen,
gestolen shows
tussen muziek en zeer.
Er hangen violen aan de wilgen
en trompettisten op de bank
te wachten tot ze mogen.
En in hen zucht het
dat het kraakt.
Steun je vocalen,
je instrumentale
ondernemers,
de mannen (m/v)
van het geluid en het licht
verontruste meisje van de garderobe.

Het treurt in mij
om snaren die niet geraakt worden
en haardkoortjes niet gezongen.
Ongehoord de beste solo’s,
cello’s, yolo’s
en die ene vrouw die bij elk concert
met gesloten ogen
steevast tegen de maat in danst.
Ik mis haar.
De muziek is in nood.
In grote nood.
In die veel te hoge, niet te zingen noot.
Bied haar je oor
en je schouder
als je hart erop breekt.

Wilde nacht

Ik wilde avonden
lang dansen
tot de morgenstond,
en mijn groene glitterkont
tegen kribben gooien.
Ik wilde haren
mooier
en mijn lippen rooier
dan daglicht kan verduren.
Ik wilde avonturen-
lang
ongehoord
jouw woord,
dicht tegen het mijne,
in je volzinnen verdwijnen
tot je alleen nog glitters vindt.
Ik wilde wervelwind
om de feiten te weerleggen,
me pas bij je neer te leggen
als je daarom morgenvroeg.
Ik wilde feesten,
wilde beesten
laat je ongetemd.
Ik wilde ongeremd,
mijn hart weer zacht.
Ik wilde nacht.

Wilde nacht werd geschreven naar aanleiding van ‘Het nieuwe normaal’ als aanduiding voor de periode na de Coronacrisis.

Plaatsvervangend

Stilte werd opnieuw verdeeld
en heerst op ongewenste plekken.
Als schaamte vindt het wegen
naar wie er nooit om heeft gevraagd.
Het sluipt en kruipt
door de kieren van je huis
naar binnen,
terwijl ergens anders
oorverdovend hard verlangd wordt
naar momenten zonder ruis.
Mijn wens niet gestoord te worden,
krijgt geheel opnieuw betekenis,
terwijl jij in plaatsvervangende stilte
op precies hetzelfde hoopt
en je afvraagt hoe lang het is geleden
dat iemand het doorbrak.

Plaatsvervangend gaat over de bijeffecten van de Coronacrisis. Mensen die dichter op elkaar moeten leven dan soms wenselijk is aan de ene kant en eenzaamheid aan de andere.

Best druk in je eentje

Dus vandaag schreef ik drie brieven,
geschiedenis
en een oude kennis af.
Ik maakte schoon – huis en schip –
en ik versloeg, behalve draken,
een rugbywedstrijd op de BBC.
Ik deed nog een dutje
en een dansje
en wat God me had verboden.
Daarna gaf ik een lezing
over Kwantumtheorie,
waarin ik de hypothese
‘daar woon je beter van’,
van tafel veegde
door het prul met één karateklap
doormidden te slaan.
Ik haalde mijn zwarte band
en mijn hart op aan een kabeltrui,
waarna ik lunchte met gekonfijte eend,
wijn en dadels
en mijn allerbeste vriend.
Ik schonk hem aandacht en zijn glas vol
en haalde daarna mijn kinderen van school.
Ze moesten nog naar vliegles
en naar Kintsugi,
dus ik kon mooi een boodschap doen
voordat mijn minnaar kwam,
net als ik.
Ik waste de lakens en mijn handen
in onschuld en een scheutje bleek
voor extra wit en natuurlijk voor de buurvrouw,
die het liefst mijn vuile was zou zien.
Daarna draaide ik pasta
en een heel klein beetje door,
maar ik verwerkte mijn bitter in de pudding,
dus dat kwam mooi van pas.
De kinderen naar bed gebracht,
bood ik mijn man het hoofd,
waarmee ik ook hem
van mijn to do kon strepen
en ik eindelijk foto’s in kon plakken
van de geboorte van de vijfde.
Daarna viel ik in slaap,
in verwondering
en in brokken uiteen.
Ik moest alleen nog maar,
maar dat was echt het allerlaatste,
blijven dromen.
Want anders kon je net zo goed
niks meer doen.

Lellebel

“Eeuwig zonde”,
zei de mannenbroeder
en ik wou dat hij gelijk had.
Dat ik het rijk had
om voorgoed onkuis te zijn.
Tot laat van huis te zijn
met oproerkraaiers
en schorriemorrie.
Nooit meer sorry
voor mij liefste vuiligheid.
Branden in de eeuwigheid,
maar alleen onder mijn rokje.
Kus ik je verkering naar de nering
en vergeet ze hoe je heet.
Ik ben een helleveeg, een loeder.
Ik lellebel je moeder
tot ze komt.
Ik dans op barren
en op graven,
zuchtdoorlatend
in mijn niemendal.
Als ik van mijn voetstuk val,
land ik zacht in iemands bed.
Het is een eindeloos gebed
en een onmogelijke biecht.
Zeg ik: “Vergeef me vader,
want ik heb zo’n zin.
Heeft ú nog een vriendin?”
En ik grijns.
Ren nog vóór het zingen de kerk uit
voor een nafeest in de stad,
met tapijtplekken op mijn knieën
waar ooit mijn boete zat.

Voor

Ik heb je gemist,
niet daarnet hoor,
maar eerder,
voordat ik wist
wie je was en waar je.
Ik heb je gezocht.
Ik mocht je al
voor ik je vasthield
en ik hield van je,
voordat het mocht.
Ik heb je gevonden
en ik vond je
nog meer dan ik dacht.
Heb op je gewacht
tot je hier was.
en ik zie nu pas
hoe lang ik al zonder.

Ciara

Ze had het recht op een naam verworven,
als haar losgeslagen zusters.
Verwend rotwind als je het mij vraagt.
Opwaaiend lurex en rondvliegend strass.
Het ene moment speelt ze zachtjes met je haar,
het volgende neemt ze je vriendje mee.
Op Faceboek raast het,
ze maakt alles kapot.
Maar aan je voordeur zucht ze slechts
om al die heisa
en trapt een keer tegen je vuilnisbak.

Ladder in mijn panty

Als ik hier ga staan,
zo in de zon,
midden op het plein,
zou je me dan zien?
Wacht, ik klim op een ladder
in mijn panty en een rode jurk
en dan roep ik je.
Hoor je?
Ik steek een fakkel aan,
zo één voor noodgevallen
– dit is er één –
en dan zwaai ik.
Ik ga op één been staan
op mijn hoge hakken
op het laddertje
op de kinderkopjes
op het plein
en dan wiebel ik.
Er beginnen mensen te roepen
dat ik op moet passen.
Een vrouw gilt,
misschien ben ik het.
Ik verlies mijn evenwicht
en mijn waardigheid
als mijn haar vlam vat
en ik voorover
de trap afdaal.
Ik heb niks dan klinkers in mijn mond
als ik opkijk
en nog net zie hoe mooi
je jas over je schouders hangt.
Gelukkig, je hebt me niet gezien.

Nagelbom

Je hebt de taal om een land te veranderen, zong ze,
en toch slik je je woorden in.
Lettervretend, zinnen prikkelend op je tong
en je proeft je onbekwaamheid.
Maar in je buik groeit een Frans gemanicuurde nagelbom
van ongeschreven regels en verzwegen vrouwenpraat.
Op een dag, een prachtige dag, gaat ‘ie af
en blaas je iedereen omver.

 

Nagelbom is geschreven voor het Great Granate Gala voor de vrouwelijke dichter, dat plaatsvindt op 15 maart 2020. Daar dragen 85 vrouwelijke dichters een kort gedicht voor bij het thema ‘Spijkers op het woord’, een verwijzing naar het 85e boekenweekthema Rebellen en Dwarsdenkers.

Kluwen

Het hart vol,
de mond over,
loop ik samen met omstandigheden,
gesloten.
Twaalf gedachten, drie gedichten,
onafgemaakt,
en een liedje in mijn hoofd.

Het verschil tussen gelul
en geluk zit in een heel klein <
(hoekje, ja.)
Zebra’s zijn paarden in een kekke jas.

Op plekken tegelijk
en toch te aanwezig,
lach ik om mijn eigen grappen
tot ik omval.
Keihard omval.
Aandacht trekken noem je dat,
maar dat zou jij ook doen
als het jouwe constant zoek was.

Niet vergeten sla te halen.
Het is nu half 3.
Ik verlies je.
Als je glas altijd halfvol is,
zit de rest waarschijnlijk in je bloed.
Maar waar was ik?

Het hart vol,
de mond over.
Een hoofd met 100 lijnen
die nog niemand had gezien.
Ik beloof je,
mijn omwegen
zijn altijd beter dan het doel,
zolang ik de kluwen kan ontwarren.
Met een beetje geluk,
verdwalen we slechts
(in een heel klein hoekje).